wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling en leestekens

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

“Het (worden) je vanzelf wel duidelijk”, zei de directeur tegen mij.

a)

word

b)

wort

c)

wordt

2.

De minister (melden) vorig kwartaal nog dat alles leek mee te vallen.

a)

melde

b)

meldde

3.

Hoeveel dat allemaal moest (kosten), was gisteren nog niet bekend.

a)

kosten

b)

kostten

4.

In de afgelopen maanden is de schuld helaas sterk (groeien).

a)

gegroeid

b)

gegroeit

c)

gegroeidt

5.

Sommige politici (weten) al enige tijd dat er het een en ander niet klopte.

a)

wisten

b)

wistten

6.

Het stimuleren van de economie (vertalen) zich in een hoger financieringstekort.

a)

vertaald

b)

vertaalt

c)

vertaaldt

7.

De ministers wilden gisteren (wachten) op de bekendmaking van de nieuwe cijfers van het Centraal Planbureau.

a)

wachten

b)

wachtten

8.

Die krant zoekt een partner die zich zo min mogelijk met de redactie (bemoeien).

a)

bemoeid

b)

bemoeit

c)

bemoeidt

9.

Er worden meestal pas maatregelen genomen als er iets ergs (gebeuren).

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

10.

Ik voelde me daar toen al snel thuis, omdat enkele collega’s mij de eerste twee dagen heel goed (begeleiden).

a)

begeleiden

b)

begeleidden

11.

De vrouw riep boos uit : "Bah ik lust geen komkommersoep!"

a)

Achter Bah moet een komma.

b)

Het uitroepteken moet vervangen worden door een punt.

c)

De dubbele punt achter boos moet vervangen worden door een komma.

d)

Achter lust moet een komma.

12.

Verbaasd vroeg zij zich af, waar ze haar pen had neergelegd?

a)

Er moet geen komma in deze zin.

b)

Het vraagteken moet weggelaten worden.

Hier moet een punt staan.

c)

Achter verbaasd moet een komma.

13.

Als ik naar buiten ga doe ik mijn jas wel even aan.

Waar moet in deze zin de komma?

a)

achter als

b)

achter ga

c)

achter jas

d)

achter doe

14.

"Wie heeft die prop in de hoek gegooid," vroeg de juf.

a)

Achter juf moeten aanhalingstekens.

b)

Achter vroeg moet een komma.

c)

Achter gegooid moet een vraagteken.

d)

Achter juf moet een vraagteken.

15.

Piet zei "Je krijgt geen cadeautjes dit jaar."

a)

Achter cadeautjes moet een komma.

b)

Achter zei moet een komma.

c)

Achter zei moet een dubbele punt.

d)

Er moeten geen aanhalingsteken in de zin.

16.

Ik liep naar buiten, en riep, dat iedereen naar binnen moest komen.

a)

Alle komma's staan goed.

b)

De komma voor het woordje en moet worden weggelaten.

c)

De komma achter riep moet weggelaten worden.

17.

"Maak je veter vast!" zei Jan. Je valt straks op je neus.

a)

De punt achter Jan moet veranderd worden in een dubbele punt.

b)

Het uitroepteken achter vast moet weg.

c)

- Je valt straks op je neus- moet tussen aanhalingstekens.

18.

"Goedemorgen," zei de bakker, wilt u mijn lekkere taart proeven?

a)

In deze zin moet geen vraagteken.

b)

De aanhalingstekens bij goedemorgen moeten weg.

c)

De komma achter goedemorgen moet weg.

d)

-wilt u mijn lekkere taart proeven?- moet tussen aanhalingstekens.

19.

In de dierentuin zagen wij de volgende dieren paarden, olifanten, leeuwen en tijgers.

a)

De komma's moeten weg.

b)

Achter dierentuin moet een dubbele punt

c)

Achter dieren moet een dubbele punt.

d)

Paarden, olifanten, leeuwen en tijgers moet tussen aanhalingstekens.

20.

Karin zegt: " ik vind, dat je een mooie trui aan hebt."

a)

De punt bij hebt moet achter het aanhalingsteken.

b)

De komma achter vind kan weggelaten worden.

c)

Er moet een uitroepteken achter hebt.

d)

Ik moet met een hoofdletter.