wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 kader hoofdstuk 7 materie

Total questions: 43

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Stanley beweert: “Als alcohol van vloeibaar gasvormig wordt, veranderen de moleculen.”

Ivo beweert: “Als alcohol van fase verandert, veranderen de moleculen niet.”

Wie heeft of hebben gelijk of ongelijk?

a)

Stanley en Ivo hebben beiden ongelijk

b)

Stanley en Ivo hebben beiden gelijk

c)

Alleen Stanley heeft gelijk

d)

Alleen Ivo heeft gelijk

2.

Het water in een cv-installatie zet uit als het wordt verwarmd. Hoe komt dat?

a)

de watermoleculen gaan sneller bewegen

b)

de watermoleculen worden groter

c)

er komen steeds meer watermoleculen bij

3.

Als je een stof verwarmt, worden de moleculen groter.

a)

waar

b)

onwaar

4.

Alleen bij een hoge temperatuur kunnen moleculen bewegen.

a)

waar

b)

onwaar

5.

Hoe dichter de moleculen bij elkaar zitten, hoe groter de aantrekkingskracht

a)

waar

b)

onwaar

6.

Een vloeistofthermometer is gevuld met alcohol. Als de temperatuur stijgt, zet de vloeistof uit en stijgt het niveau in de stijgbuis. Hoe komt dat?

a)

de alcoholmoleculen worden groter

b)

er komt meer ruimte tussen de alcoholmoleculen

c)

er komen steeds meer alcoholmoleculen

7.

De moleculen hebben eerst nog wel een vaste plaats, maar gaan steeds heviger trillen. Op een gegeven moment is hun aantrekkingskracht te klein om ze nog langer bij elkaar te houden. Steeds meer moleculen verlaten hun vaste plaats en gaan langs en door elkaar heen bewegen.

Welke fase-overgang wordt hier beschreven?

a)

condenseren

b)

smelten

c)

stollen

d)

sublimeren

e)

verdampen

8.

In een ruimte bewegen moleculen langs elkaar heen en hebben geen vaste plaats. Op een gegeven moment wordt de aantrekkingskracht groter en de ruimte tussen de moleculen kleiner. Na verloop van tijd hebben alle moleculen een vaste plaats en de ruimte tussen de moleculen is zeer klein.

Welke fase-overgang wordt hier beschreven?

a)

van gasvormig naar vast

b)

van gasvormig naar vloeibaar

c)

van vast naar gasvormig

d)

van vast naar vloeibaar

e)

van vloeibaar naar vast

9.

Bij het verbranden van campinggas (butaan) worden koolstofdioxide en water gevormd.

Welk reactieschema is juist?

a)

aardgas + zuurstof --> water + koolstofdioxide

b)

butaan --> water + koolstofdioxide

c)

butaan + zuurstof --> water + koolstofdioxide

d)

water + koolstofdioxide --> butaan

10.

Als je een eitje kookt, wordt dit hard. Wat is dit?

a)

een chemische reactie

b)

een fase-overgang

c)

lekker

11.

Als je water kookt, ontstaat er waterdamp. wat is dit?

a)

een chemische reactie

b)

een fase-overgang

12.

Als je een lucifer aansteekt, ontstaat een zwarte stof. Wat is dit?

a)

een chemische reactie

b)

een fase-overgang

c)

een insect

13.

Als je kaarsvet verwarmt, wordt het vloeibaar. Wat is dit?

a)

een chemische reactie

b)

een fase-overgang

c)

onzin

14.

In welke situaties is er sprake van een chemische reactie?

a)

het gaar worden van aardappelen

b)

het hard worden van beton

c)

het smelten van een ijsje

d)

het verdampen van alcohol

15.

George en Mike verwarmen gas in een kolf en meten de gasdruk met een manometer. Zij zien dat de gasdruk in de kolf toeneemt.

George beweert dat de druk in de kolf stijgt doordat de moleculen harder tegen de wand van de kolf botsen.

Mike beweert dat de druk stijgt doordat de moleculen in de kolf groter worden.

Wie heeft of hebben gelijk of ongelijk?

a)

George en Mike hebben allebei ongelijk

b)

George en Mike hebben allebei gelijk

c)

alleen Mike heeft gelijk

d)

alleen George heeft gelijk

16.

welke situatie is waar?

a)

Als gassen worden samengeperst, neemt het aantal botsingen per oppervlakte toe.

b)

Als je een gas samenperst, neemt de snelheid waarmee de moleculen bewegen toe.

c)

Als een gas in een ruimte wordt samengeperst, neemt de gasdruk af.

17.

Een hogedrukpan, ook wel snelkookpan genoemd, is een pan waarin levensmiddelen onder druk worden gekookt, waarbij de kooktemperatuur hoger is dan 100 °C en de gerechten sneller gaar zijn.

Als je water in een snelkookpan verwarmt, zit er bovenin de pan veel waterdamp.

Watermoleculen in een snelkookpan botsen harder tegen de wand aan als de temperatuur in de pan stijgt.

a)

waar

b)

onwaar

18.

Welke situaties zijn waar?

a)

Als de temperatuur in de pan stijgt, gaan de watermoleculen sneller bewegen.

b)

Als de watermoleculen minder hard tegen de wand aanbotsen, neemt de gasdruk toe.

c)

Als de temperatuur in de snelkookpan stijgt, botsen watermoleculen minder hard tegen de wand aan.

d)

De druk in de snelkookpan neemt toe als er meer watermoleculen overgaan van de vloeibare naar de gasvormige fase.

19.

Moleculen zijn constant in beweging en zijn daardoor moeilijk te bestuderen. Daarvoor moeten ze worden afgeremd en stilgezet. Op de Radboud Universiteit in Nijmegen is dat eind vorige eeuw voor het eerst gelukt.

Wat gebeurt er met de temperatuur van een stof als de moleculen worden afgeremd?

a)

de temperatuur daalt

b)

de temperatuur blijft gelijk

c)

de temperatuur stijgt

d)

it's getting hot hot hot

20.

Bij welke temperatuur bewegen moleculen niet meer?

a)

0 graden celsius

b)

273 graden celsius

c)

0 kelvin

d)

273 kelvin

21.

Meer dan honderd jaar geleden lukte het Heike Kamerlingh Onnes als eerste om helium vloeibaar te maken. Dit gebeurde bij een temperatuur van -269 °C.

Wat zou er gebeuren als helium nog verder was afgekoeld naar het absolute nulpunt?

a)

de moleculen bewegen dan niet meer, de druk is dan meer dan 0 kPa

b)

de moleculen bewegen dan nog wel, de druk is dan 0 kPa

c)

de moleculen bewegen dan niet meer, de druk is dan 0 kPa

d)

de moleculen bewegen dan nog wel, de druk is dan meer dan 0 kPa

22.

Bij welke temperatuur is de gasdruk 0 kPa? Kies de twee goede antwoorden.

a)

0 graden celsius

b)

0 kelvin

c)

- 273 graden celsius

d)

- 273 kelvin

23.

Mehmet ziet in zijn Binas dat heptaan een kookpunt heeft van 371 K. Reken deze temperatuur om naar °C.

a)

89 graden celsius

b)

98 graden celsius

c)

100 graden celsius

d)

644 graden celsius

24.

In Nederland wordt zout uit de grond gehaald. Het zout wordt opgelost in water dat de grond in wordt gepompt. Als het zout is opgelost, wordt het water weer omhoog gepompt. Hoe kun je het zout en het water scheiden?

a)

indampen

b)

filtreren

c)

extraheren

d)

door het te pletten

25.

Leonie wil een paarse vloeistof indampen. Op de foto zie je een aantal practicumspullen die ze kan gebruiken. Welke drie hulpmiddelen heeft ze in elk geval nodig?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

6

e)

7

26.

Een mengsel van vaste stoffen kun je scheiden door

a)

extraheren

b)

filtreren

c)

indampen

d)

te zingen

27.

In Nederland wordt zout uit de grond gehaald. Het zout wordt opgelost in water dat de grond in wordt gepompt. Als het zout is opgelost, wordt het water weer omhoog gepompt. In het opgepompte water zit ook zand. Hoe kun je dit zand uit het water verwijderen?

a)

extraheren

b)

filtreren

c)

indampen

d)

je neus snuiten

28.

Karel wil vaste deeltjes uit een vloeistof halen. Op de foto zie je een aantal practicumspullen die hij kan gebruiken. Welke drie hulpmiddelen heeft hij in elk geval nodig?

a)

4, 5 en 8

b)

2, 7 en 8

c)

1, 4 en 5

d)

3, 4 en 6

29.

Als je koffie zet met een koffiezetapparaat, ben je eigenlijk stoffen aan het scheiden. Met welke scheidingsmethode worden de smaak- en geurstoffen uit de gemalen koffie gehaald?

a)

extraheren

b)

filtreren

c)

indampen

d)

tuinieren

30.

Wat gebeurt er met de moleculen bij het scheiden van stoffen?

a)

de moleculen worden gezuiverd

b)

de moleculen worden ontleed

c)

de moleculen worden gesorteerd

d)

de moleculen worden kapotgemaakt

31.

Welk van de volgende stoffen is een zuivere stof?

a)

suiker

b)

koffie

c)

kraanwater

d)

thee

32.

In welke situaties ontstaan er nieuwe moleculen?

a)

het zetten van koffie

b)

het bakken van brood

c)

zout uit zeewater halen

d)

alcohol uit rode wijn halen

e)

het verbranden van een lucifer

33.

Welke uitspraak is juist?

a)

een atoom is opgebouwd uit 1 of meerdere moleculen

b)

een molecuul is bij alle stoffen ongeveer even groot

c)

een molecuul is een bouwsteen van een atoom

d)

een molecuul is opgebouwd uit 1 of meer atomen

34.

In welke reactievergelijking is het ontleden van water weergegeven?

a)

waterstof + zuurstof --> water

b)

water --> waterstof + zuurstof

c)

water + zuurstof --> waterstof

d)

zuurstof --> water + waterstof

35.

welke uitspraak is waar?

a)

Er zijn miljoenen soorten atomen.

b)

In één molecuul kunnen verschillende soorten atomen voorkomen

c)

Waterstofatomen kom je alleen tegen in het gas waterstof.

36.

welke uitspraak is onwaar?

a)

Tijdens een reactie verandert het aantal atomen niet.

b)

Als je een stof ontleedt, gaan de atomen van de stof kapot.

c)

Als je een stof ontleedt, gaan de moleculen van de stof kapot.

37.

Een geladen deeltje in een atoomkern noem je een

a)

proton

b)

neutron

c)

elektron

d)

ezel

38.

Neutrale deeltjes in een atoomkern noem je

a)

proton

b)

neutron

c)

elektron

d)

paard

39.

Het atoomnummer van de stof I-127 is 53.

Hoeveel protonen zitten er in de kern van de stof?

a)

127

b)

53

c)

74

40.

Het atoomnummer van de stof I-127 is 53.

Hoeveel neutronen zitten er in de kern van de stof?

a)

127

b)

53

c)

74

41.

Het atoomnummer van de stof I-127 is 53.

Hoeveel elektronen zijn er aanwezig?

a)

127

b)

53

c)

74

42.

Welke twee uitspraken zijn juist?

a)

een kern is opgebouwd uit protonen en neutronen

b)

een kern is opgebouwd uit protonen en elektronen

c)

de massa van een proton en elektron is bijna even groot

d)

de massa van een proton en een neutron is bijna even groot

e)

de massa van een neutron en elektron is bijna even groot

43.

Atoom 1 heeft 28 protonen en 32 neutronen.

Atoom 2 heeft 28 protonen en 30 neutronen.

Tania zegt: 'De atomen 1 en 2 zijn isotopen van hetzelfde element.'

Stephanie zegt: 'De atomen 1 en 2 hebben een even grote atoommassa.'

Wie heeft of hebben gelijk of ongelijk?

a)

Tania en Stephanie hebben beide ongelijk

b)

Tania en Stephanie hebben beide gelijk

c)

alleen Tania heeft gelijk

d)

alleen Stephanie heeft gelijk