Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

stabiliteit van schuimen

Total questions: 14

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

wat is drainage?

a)

het verschijnsel waarbij de gasbellen groter worden

b)

het verschijnsel waarbij de vloeistof die de continue fase van het schuim vormt, tussen de gasbellen uit loopt.

c)

het doodslaan van een schuim

2.

welke krachten zijn van invloed op de drainagesnelheid?

a)

zwaartekracht

b)

wrijvingskracht

c)

zwaartekracht en wrijvingskracht

d)

gewicht en wrijvingskracht

3.

welke stofeigenschappen spelen een rol bij de drainagesnelheid?

a)

dikte, grondvlak, dichtheid en viscositeit

b)

dichtheid en viscositeit

c)

grondvlak, dichtheid en viscositeit

d)

zwaartekracht, dikte, grondvlak, dichtheid en viscositeit

4.

als er veel vloeistof tussen de bellen zit...

a)

zal de stroomsnelheid hoger zijn

b)

zal de stroomsnelheid lager zijn

5.

omdat in de werkelijkheid de dikte van de vloeistoffilm steeds verandert kan de formule voor drainagesnelheid in de praktijk niet gebruikt worden

a)

waar

b)

niet waar

6.

De hoeveelheid gas dat oplost in de continue fase is een functie van de ruk in de luchtbel

a)

niet waar

b)

waar

7.

de druk in een kleine bel is groter dan die in een grote bel

a)

eens

b)

oneens

8.

als de viscositeit groter is.....

a)

is de drainage snelheid groter

b)

is de drainage snelheid kleiner

c)

veranderd de drainage snelheid niet

d)

de viscositeit heeft niets te maken met de drainage snelheid

9.

bierschuim zakt in door...

a)

drainage

b)

disproportionatie

c)

oplosbaarheid

d)

alle boven staande

10.

gas verplaatst zich... (meer antwoorden... of toch niet...)

a)

van kleine bel naar grote bel

b)

van grote bel naar kleine bel

c)

van bel naar het oneindige

d)

van het oneindige naar bel

11.

keer hoeveel moet je de viscositeit doen in de formule voor de drainage snelheid

a)

13

b)

10

c)

15

d)

12

12.

met welke formule bereken de druk in de luchtbel

a)

Mams vergelijking

b)

Laplace vergelijking

c)

Ikeason vergelijking

d)

brownedowne vergelijking

13.

in welke eenheid moet y in de laplace vergelijking

a)

m

b)

N/m/K

c)

N/m

d)

Pa

14.

heb je iets geleerd

a)

natuurlijk

b)

jullie verdienen een 10

c)

hou op

d)

wie zijn jullie