wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lezen H5 en H6 2BK

Total questions: 42

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Een chronologisch (= het gaat met de tijd mee) verband beschrijft gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

2.

Ten eerste, ten tweede en ten slotte zijn signaalwoorden die passen bij een tegenstellend verband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

3.

Doordat, daardoor, als gevolg van en dankzij zijn signaalwoorden die passen bij een tegenstellend verband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

4.

In vergelijking met, evenals en vergeleken met zijn signaalwoorden die passen bij een vergelijkend verband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stellig is onjuist

5.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

6.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?

a)

maar

b)

tevens

c)

dan

d)

als

7.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tijdsvolgorde?

a)

Eerst

b)

En

c)

Doordat

d)

Bijvoorbeeld

8.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Tegenstelling

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsomming

9.

Van welk tekstverband is hier sprake?


Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.

a)

Opsomming

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Tegenstelling

d)

Voorbeeld

10.

Welk tekstverband hoort er bij onderstaande zin?


Je moet eerst de bloemen schuin afsnijden, daarna doe je water in een vaas en als laatste doe je de bloemen in de vaas.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Oorzaak-Gevolg

c)

Voorbeeld

d)

Tegenstelling

11.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen.


Er was een weer-alarm afgegeven. Mijn vader ging onze caravan echter toch terugbrengen naar de stalling.

a)

Voorbeeld

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Oorzaak-gevolg

12.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Vancouver Island heeft ontzettend veel mooie natuur te bieden. Ook kun je er met een boot op zoek gaan naar walvissen en beren en zwemmen tussen de zalmen.

a)

Vergelijking

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Tijdsvolgorde

13.

'Ik vind je aardig, maar ik kan je niet helpen'

a)

'Maar' geeft een vergelijking aan

b)

'Maar' geeft een tegenstelling aan

14.

Hoewel ik genoeg geld heb, koop ik die telefoon toch niet.

a)

Dit is een vergelijking

b)

Dit is een tegenstelling

15.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Juist, deze, hij, die.

c)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

d)

Geen van allen.

16.

Om het onderwerp in een tekst te vinden, moet je

a)

Moet je de hele tekst eerst goed lezen.

b)

Kijk je alleen naar de plaatjes.

c)

Bekijk je de tekst en lees je de eerste zinnen.

17.

Het onderwerp van een tekst kun je in één of een paar woorden zeggen.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Hoe vind je het onderwerp van een tekst? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Bekijk de titel.

b)

Kijk naar de tussenkopjes

c)

Lees de hele tekst goed door

d)

Kijk naar anders gedrukte woorden

19.

De titel is het onderwerp van een tekst

a)

Juist

b)

Onjuist

20.

Stel: een tekst heeft drie delen. Eén gaat over paardrennen, het tweede deel gaat over poker en het derde gaat over speelautomaten. Wat zal het onderwerp van deze tekst zijn?

a)

Maneges

b)

Sporten

c)

de Nederlandse overheid

d)

Gokken

21.

Een tekst gaat ergens over. Dit noemen we:

a)

Het doel van de tekst

b)

Het onderwerp van de tekst

c)

Het publiek van de tekst

d)

De bron van de tekst

22.
Wat moet je als eerst doen als je een tekst leest?
a)
Naar plaatjes, bron, titel, inleiding en slot kijken. 
b)
De tekst lezen.
c)
Naar plaatjes, bron en titel kijken.
d)
Naar de vragen kijken. 
23.

Aan welke vijf kenmerken herken je het publiek van een tekst?

a)

inhoud, taalgebruik, bron, lay-out, afbeeldingen

b)

onderwerp, inhoud, toon, taalgebruik, bron

c)

toon, bron, lengte, onderwerp, prijs

d)

lay-out, prijs, toon, uiterlijk, spelling

24.
De Donald Duck is alleen voor kinderen bedoeld. 
a)
juist
b)
onjuist
25.
De Elsevier is een tijdschrift voor jongeren. 
a)
juist
b)
onjuist
26.
Wat is een kernzin? 
a)
De belangrijkste zin die in een alinea staat. 
b)
De belangrijkste zin die in een tekst staat. 
c)
Een zin waarmee je als lezer de hele tekst samenvat. 
d)
Een zin waarmee je als lezer de alinea samenvat. 
27.

Een ander woord voor signaalwoord is

a)

verbindingswoord

b)

bindingswoord

c)

verbandwoord

d)

verwantwoord

28.

Wat doen signaalwoorden?

a)

ze verbinden de titel met de inleiding

b)

ze verbinden zinnen met elkaar

c)

ze verbinden alinea's met elkaar

d)

ze verbinden zinnen en alinea's met elkaar

29.

Waarom is het belangrijk dat je signaalwoorden herkent?

a)

Dat is niet belangrijk.

b)

Dan kun je een goed cijfer halen en krijg je meer zakgeld.

c)

Dan begrijp je teksten voor het vak Nederlands beter.

d)

Dan begrijp je alle teksten, alles wat je leest, beter.

30.

"Ook kun je hulp krijgen van je ouders. Bovendien kun je via 'Skype' makkelijk praten met je vrienden. En je kunt natuurlijk 'Facetimen'."

Uit hoeveel delen bestaat deze opsomming?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

31.

"Ook kun je hulp krijgen van je ouders. Bovendien kun je via 'Skype' makkelijk praten met je vrienden. En je kunt natuurlijk 'Facetimen'."

Noem alle signaalwoorden uit dit stukje tekst.

a)

ook, bovendien, natuurlijk

b)

ook, bovendien, en

c)

bovendien, en, kun, makkelijk

d)

ook, en

32.

Wat is meestal het doel van de auteur van een nieuwsbericht?

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

instrueren

d)

adviseren

33.

Wat is het doel van een reclametekst?

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

activeren

d)

amuseren

34.

Wat is het doel van een partijprogramma van een politieke partij?

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

waarschuwen

d)

adviseren

35.
Welk tekstdoel heeft een strip?
a)
informeren
b)
tot handelen aanzetten
c)
waarschuwen
d)
amuseren
36.
Welk tekstdoel heeft een reactie (bijvoorbeeld op een weblog)?
a)
amuseren
b)
informeren
c)
overtuigen
d)
instrueren
37.

Welk tekstdoel heeft een advertentie?

a)

activeren

b)

overtuigen

c)

amuseren

d)

informeren

38.

Het tekstdoel amuseren betekent dat de schrijver...

a)

... de lezer wil overhalen iets te doen.

b)

...de lezer informatie wil geven.

c)

...de lezer wil vermaken door iets boeiends, ontroerends of bijzonders te vertellen.

d)

...de lezer wil overtuigen van zijn mening.

39.

Welke tekstsoort is het boek Mathilda van Roald Dahl?

a)

Een informatieve tekst

b)

Een betogende tekst

c)

Een aansporende of activerende tekst.

d)

Een amuserende tekst

40.

Welk doel heeft de schrijver van deze tekst?Bridget Jones’ Baby is namelijk precies zoals de vorige films vooral erg leuk om naar te kijken, iets wat vooral te danken is aan hoofdrolspeelster Renée Zellweger. Zij speelt het personage, erg goed. Ook de momenten tussen Mark en Jack zijn erg geinig.

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

aansporen

d)

amuseren

41.
Welke combinatie is niet goed?
a)
informatieve tekst: nieuwsbericht
b)
amuserende tekst: roman
c)
betogende tekst: advertentie
d)
activerende tekst: uitnodiging
42.

Welke doelen kan een schrijver hebben?

a)

informeren, activeren, stimuleren, dirigeren, overtuigen

b)

activeren, leren, stimuleren, overtuigen, amuseren

c)

amuseren, kleineren, dirigeren, leren, informeren

d)

informeren, activeren, leren, amuseren, overtuigen