Font size
Worksheets3M+ - spelling blok 3-4-5
Total questions: 20
Worksheet time: 11mins
aap + trots =
aaptrots
apentrots
apetrots
aap + rots =
aaprots
apenrots
aperots
zon + schijn =
zonneschijn
zonnenschijn
zonschijn
groente + soep =
groentessoep
groentensoep
groentesoep
tomaat + soep =
tomaatsoep
tomatensoep
tomatesoep
spin + wiel =
spinwiel
spinnenwiel
spinnewiel
spin + web =
spinnenweb
spinneweb
spinweb
Wat is het meervoud van: pasta
pastaas
pastas
pasta's
Wat is het meervoud van: druif
druifen
druiven
druifjes
Wat is het meervoud van: panty
panty's
pantys
panties
Wat is het meervoud van: idee
idees
ideeën
ideën
Wat is het meervoud van: bacterie
bacterieën
bacteriën
bacteries
Welke twee zinnen zijn correct?
De meesten leerlingen hadden vrij
De meeste leerlingen hadden vrij
De meesten hadden vrij
De meeste hadden vrij
Welke twee zinnen zijn correct?
Dit zijn de enige opties die je hebt.
Zij waren de enige die dit snapten.
Zij waren de enigen die die snapten.
Hier heb je enigen voorbeelden.
Welke twee zinnen zijn correct?
Allen waren geslaagd.
Alle waren geslaagd.
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.
Er waren meerderen mensen op de markt.
citaat of een eigen zin?
Robert zei dat hij morgen naar de kermis gaat.
dit is een citaat
Dit is een eigen zin
geen van beide
Is dit een citaat of een eigen zin?
'Nee', zei de docent, 'jullie hebben geen huiswerk'.
Dit is een citaat
Dit is een eigen zin
geen van beide
In welke zinnen staat de komma op de juiste plek?
We gaan niet naar het strand want, het is veel te koud.
Morgen is er een voorstelling, en daar gaan wij naar toe.
Omdat het regende, gingen we met de auto.
De zon scheen, maar toch was het heel koud.
In welke zinnen staat de komma op de juiste plek?
Zullen we gaan voetballen, tennissen, of gamen?
Zullen we gaan winkelen, muziek luisteren of chillen?
Er was een ongeluk gebeurd, maar er waren gelukkig geen gewonden.
Susan, wil jij dit even voor me wegbrengen?
Welke Engelse werkwoorden zijn goed vervoegd?
(meerdere antwoorden mogelijk)
ik race - jij racet - hij racete - wij hebben geracet.
ik game - jij gamed - hij gamede - wij hebben gegamet.
Ik skateboard - jij skateboardt - hij skateboardde - wij hebben geskateboard
Ik blogg - jij bloggt - hij blogde - we hebben geblogd
