wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling leerstof 3e trim 1e jaar

Total questions: 108

Worksheet time: 1hrs 1mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Dit schilderij moet tweeduizend euro opbrengen

a)

moet

b)

Dit schilderij

c)

moet opbrengen

d)

tweeduizend euro

2.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?

Hij kan een goede prijs hiervoor maken.

a)

Hij

b)

een goede prijs

c)

hiervoor

d)

kan maken

3.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Zij doen de verkeerde dingen.

a)

de verkeerde dingen

b)

Zij

c)

doen

4.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Jens kreeg veel cadeautjes voor zijn verjaardag.

a)

Jens

b)

voor zijn verjaardag

c)

cadeautjes

d)

veel cadeautjes

5.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Mijn oma vindt het schilderij van Jeroen Bosch heel mooi.

a)

het schilderij

b)

mijn oma

c)

het schilderij van Jeroen Bosch

d)

heel mooi

6.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


De mentor mocht de geslaagden hun vwo-diploma overhandigen.

a)

de mentor

b)

de geslaagden

c)

hun vwo-diploma

d)

Er is geen meewerkend voorwerp.

7.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


Op tv maakte de generaal de staatsgreep bekend aan het volk?

a)

op tv

b)

de generaal

c)

de staatsgreep

d)

aan het volk

8.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


Vertelde de hopman zijn scouts vannacht een spookverhaal?

a)

de hopman

b)

zijn scouts

c)

een spookverhaal

d)

Er is geen meewerkend voorwerp.

9.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


De gevraagde brochure zullen wij u vandaag nog toesturen.

a)

de gevraagde brochure

b)

wij

c)

u

d)

vandaag

10.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


Om drie uur geeft de bondscoach de pers zijn opstelling door.

a)

om drie uur

b)

de bondscoach

c)

de pers

d)

zijn opstelling

11.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


Zou u mij een bord spaghetti willen opscheppen?

a)

u

b)

mij

c)

een bord spaghetti

d)

willen opscheppen

12.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


De mentor mocht de geslaagden hun vwo-diploma overhandigen.

a)

de mentor

b)

de geslaagden

c)

hun vwo-diploma

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

13.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


Op tv maakte de generaal de staatsgreep bekend aan het volk.

a)

op tv

b)

de generaal

c)

de staatsgreep

d)

aan het volk

14.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


Op tv maakte de generaal de staatsgreep bekend aan het volk.

a)

op tv

b)

de generaal

c)

de staatsgreep

d)

aan het volk

15.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


Vertelde de hopman zijn scouts vannacht een spookverhaal?

a)

de hopman

b)

zijn scouts

c)

vannacht

d)

een spookverhaal

16.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


De gevraagde brochure zullen wij u vandaag nog toesturen.

a)

de gevraagde brochure

b)

wij

c)

u

d)

vandaag nog

17.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


Om drie uur geeft de bondscoach de pers zijn opstelling door.

a)

om drie uur

b)

de bondscoach

c)

de pers

d)

zijn opstelling

18.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


Zou u mij een bord spaghetti willen opscheppen?

a)

u

b)

mij

c)

een bord spaghetti

d)

willen opscheppen

19.
In welke zin staat een meewerkend voorwerp?
a)
De zangeres werd eerste tijdens de show.
b)
Ze juichte en sprong een gat in de lucht.
c)
De jury gaf haar de meeste stemmen van allemaal.
d)
Ze ging een schitterende carrière tegemoet. 
20.
In welke zin staat een meewerkend voorwerp?
a)
De zanger woonde aan een mooi meer.
b)
Voor het huis stond zijn auto.
c)
Hij gaf veel van zijn geld aan een goed doel.
d)
De mensen vonden hem dan ook erg sympathiek.
21.
Wat is het MV in de volgende zin? Wij gaan onze mentor een cd aanbieden.
a)
Wij
b)
onze mentor
c)
een cd
d)
gaan aanbieden
22.
Wat is het MV in de volgende zin? Ik vroeg mijn vader of ik naar het optreden van Ali B mocht.
a)
Ik
b)
mijn vader
c)
het optreden van Ali B
d)
vroeg
23.
Wat is het MV in de volgende zin?  De nieuwe cd van Typhoon heb ik voor mijn moeder gekocht. 
a)
voor mijn moeder
b)
heb gekocht
c)
de nieuwe cd van Kenny B
d)
ik
24.
Wat is het MV in de volgende zin? Die handige jongen kun je de klus gerust toevertrouwen. 
a)
gerust toevertrouwen
b)
de klus
c)
je
d)
die handige jongen
25.
Wat is het MV in de volgende zin? De regering geeft de omroep extra geld.
a)
de regering
b)
geeft
c)
de omroep
d)
extra geld
26.
Wat is het MV in de volgende zin?
De bekend band heeft de fans handtekeningen uitgedeeld.
a)
heeft uitgedeeld
b)
de bekende band
c)
de fans
d)
handtekeningen
27.
In welke zin staat een meewerkend voorwerp?
a)
Dat optreden heeft Gers Pardoel een prijs opgeleverd.
b)
Hij was er heel blij mee.
c)
Het publiek werd bedankt.
d)
Volgend jaar is hij er weer.
28.
In welke zin staat een meewerkend voorwerp?
a)
Er stond een stuk over de rapper in de krant.
b)
De burgemeester werd het eerste exemplaar aangeboden.
c)
De burgemeester was blij met de cd.
d)
De rapper heeft ook nog opgetreden.
29.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
onderwerp
b)
lijdend voorwerp
c)
gezegde
d)
meewerkend voorwerp
30.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
gezegde
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
persoonsvorm
31.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
onderwerp
b)
persoonsvorm
c)
gezegde
d)
lijdend voorwerp
32.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
meewerkend voorwerp
d)
lijdend voorwerp
33.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
onderwerp
b)
gezegde
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
34.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
onderwerp
b)
persoonsvorm
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
35.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
persoonsvorm
b)
lijdend voorwerp
c)
meewerkend voorwerp
d)
onderwerp
36.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
gezegde
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
lijdend voorwerp
d)
persoonsvorm
37.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
lijdend voorwerp
b)
onderwerp
c)
gezegde
d)
meewerkend voorwerp
38.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
onderwerp
b)
gezegde
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
39.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
persoonsvorm
b)
gezegde
c)
onderwerp
d)
meewerkend voorwerp
40.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
onderwerp
b)
persoonsvorm
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
41.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Ziektekiem

b)

Ziekteskiem

c)

Ziektenkiem

42.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Station chef

b)

Stationchef

c)

Stationschef

d)

Stations chef

43.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Bananesplit

b)

Bananensplit

c)

Bananen split

44.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Koninginne dag

b)

Koninginnendag

c)

Koninginnedag

45.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Liefdescène

b)

Liefdesscène

c)

Liefdenscène

46.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Secretaressedag

b)

Secretaressendag

c)

Secretaressesdag

47.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Pannenkoekenpan

b)

Pannekoekenpan

c)

Pannekoeken pan

d)

Pannenkoeken pan

48.

Welke samenstelling is juist geschreven

a)

Hordesloper

b)

Hordenloper

c)

Hordeloper

49.

Welk woord is goed gespeld?

a)

secondenwijzer

b)

groentensoep

c)

etalagepop

d)

pannekoek

50.

Welk woord is goed gespeld?

a)

samewerking

b)

hondehok

c)

kippenei

d)

paardestaart

51.

Welk woord is goed gespeld?

a)

Koninginnendag

b)

berengoed

c)

hartelijk

d)

garagendeur

52.

Welk woord is goed gespeld?

a)

vissekop

b)

rijstenbrij

c)

apentrots

d)

zonnebril

53.
Wat is goed?
a)
hondenhok
b)
hondehok
54.
Wat is goed?
a)
kippensoep
b)
kippesoep
55.
Wat is goed?
a)
oorlogsbuit
b)
oorlogbuit
56.
Wat is goed?
a)
oorlogsschip
b)
oorlogschip
57.
Wat is goed?
a)
varkensstal
b)
varkenstal
58.
Wat is goed?
a)
manenschijn
b)
maneschijn
59.
Wat is goed?
a)
breedtengraad
b)
breedtegraad
60.

staat + secretaris

a)

staatssecretaris

b)

staatsecretaris

61.

liefde + spel

a)

liefdesspel

b)

liefdespel

c)

liefdenspel

62.

station + chef

a)

stationschef

b)

stationchef

63.

punt + slijper

a)

puntenslijper

b)

punteslijper

64.

toets + bord

a)

toetsenbord

b)

toetsebord

65.

courgette + snijder

a)

courgettensnijder

b)

courgettesnijder

66.

boek + winkel

a)

boekewinkel

b)

boekenwinkel

67.

seconde + wijzer

a)

secondenwijzer

b)

secondewijzer

68.
Wat is het verkleinwoord van opa?
a)
opa'je
b)
opatje
c)
opa'tje
d)
opaatje
69.
Wat is het juiste verkleinwoord van 'ketting'?
a)
kettingkje
b)
kettinkje
c)
kettingje
70.
Wat is het verkleinwoord van menu?
a)
menuutje
b)
menu'tje
c)
menutje
71.
Wat is het juiste verkleinwoord van 'radio'?
a)
radio'tje
b)
radiootje
c)
radiotje
72.
Wat is het verkleinwoord van storm?
a)
stormpje
b)
stormje
c)
stormje
d)
storrumpje
73.
Wat is het juiste verkleinwoord van 'café'?
a)
caféetje
b)
cafétje
c)
cafeetje
d)
café'tje
74.
Wat is het verkleinwoord van taxi?
a)
taxitje
b)
taxietje
c)
taxi'tje
75.
Wat is het verkleinwoord van baby?
a)
babytje
b)
baby'tje
c)
babietje
76.
Wat is het verkleinwoord van essay?
(Een essay is een soort opstel)
a)
essay'tje
b)
essaytje
77.
Wat is het verkleinwoord van ?
a)
€'tje
b)
€tje
78.
Wat is het verkleinwoord van cd?
a)
cdtje
b)
cd'je
c)
cd'tje
d)
cdje
79.

Wat is het verkleinwoord van: kano

a)

kano'tje

b)

kanootje

c)

kanoo'tje

d)

kleine kano

80.

Wat is het verkleinwoord van: lading

a)

ladinkje

b)

ladingkje

c)

ladingetje

d)

kleine lading

81.

Wat is het verkleinwoord van: pudding

a)

puddinkje

b)

puddingje

c)

puddingetje

d)

kleine pudding

82.

Wat is het meervoud en het verkleinwoord van: cadeau

a)

cadeaus en cadeautje

b)

cadeaus en cadeautjes

c)

veel cadeau en cadeautje

d)

veel cadeau en klein cadeau

83.

Wat is het meervoud en het verkleinwoord van: ring

a)

rings en ringetje

b)

ringengen en ringetjes

c)

ringen en ringetje

d)

ringen en kleine ring

84.

Wat is het meervoud en het verkleinwoord van: beloning

a)

beloningen en beloninkje

b)

beloningen en beloningje

c)

beloningen en beloningkje

d)

beloningen en kleine beloning

85.

Wat is het meervoud en het verkleinwoord van: agenda

a)

agenda's en agendaatje

b)

agendaas en agendatje

c)

agendaas en agenda'tje

d)

agenda's en agenda'tje

86.

Wat is het meervoud en het verkleinwoord van: logé

a)

logés en logeetje

b)

logees en loge'tje

c)

logees en logeetje

d)

logés en loge'tje

87.

Dit waren de saaiste uren uit mijn leven!

a)

Feit

b)

Mening

88.

Wat is geen uitspraak die past bij een feit?

a)

Het is te controleren.

b)

Het zegt wat één persoon ervan vindt

c)

Je kunt het bewijzen

89.

Gamen is tijdverlies.

a)

Feit

b)

Mening

90.

Brussel is de hoofdstad van België.

a)

Feit

b)

Mening

91.

Het is een mooie zonsondergang.

a)

Feit

b)

Mening

92.
een feit is
a)
je eigen mening
b)
iets wat waar is en wat je kunt controleren
c)
een vooroordeel
d)
zinloos geweld
93.

Feit of mening? : Dat is een gemakkelijke opgave.

a)

Feit.

b)

Mening.

94.
Wat is fictie?
a)
alle boeken die verzonnen zijn en die je voor je plezier leest
b)
alle boeken die in de bibliotheek staan
c)
alle boeken die je leest
95.
Wat is non-fictie?
a)
Alle boeken of kranten waar informatie in staat
b)
Een stripboek
c)
Een leesboek
96.
Het boek 'de biografie van president Obama' is een non-fictie boek. Het boek gaat over het leven van de president.
a)
waar
b)
niet waar
c)
half waar
97.
Waarvoor is een fictie-verhaal bedoeld?
a)
Om je te vermaken
b)
Om te zorgen dat jij het boek ook koopt
c)
Om je te informeren
98.
De film over  Harry Potter is een realistisch verhaal
a)
Ja, dat klopt
b)
Nee, dat klopt niet. Het is niet waar gebeurd.
c)
Ja, het klopt. Dit is een waar-gebeurd verhaal.
99.
Wat voor boek is een receptenboek met alles over hoe je eten moet maken?
a)
Een fictie boek
b)
Een non-fictie boek
c)
Een vervelend boek
100.
Waaronder valt een bericht in de krant?
a)
Fictie
b)
Non-fictie
c)
Verhaal
101.
Waarvoor is een non-fictieverhaal bedoeld?
a)
Om je te activeren
b)
Om je te amuseren
c)
Om je informatie te geven
102.

Een instructie. Fictie of non-fictie

a)

fictie

b)

non-fictie

103.

Nieuwsbericht. Fictie of non-fictie?

a)

Fictie

b)

Non-fictie

c)

Realistische fictie

104.

Sprookje. Fictie of non-fictie?

a)

Fictie

b)

Non-fictie

c)

Realistische fictie

105.

Het Achterhuis van Anne Frank. Fictie of non-fictie?

a)

Fictie

b)

Non-fictie

c)

Realistische fictie

106.

Een chronologisch verband beschrijft gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

107.

Wat wordt bedoeld met de hoofdgedachte van een tekst?

a)

De titel van de tekst.

b)

De belangrijkste zin van een tekst.

c)

De tekst samengevat in één tot twee zinnen.

108.

Wat zijn signaalwoorden?

a)

Woorden die je een seintje geven dat de schrijver een tekstverband gebruikt.

b)

Woorden die belangrijk zijn.

c)

Woorden die een seintje geven dat een woord naar iets anders verwijst.

d)

Woorden die cursief of dikgedrukt zijn in de tekst.