wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3KGT Bevolking en ruimte 1.1+12

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Sociale bevolkingsgroei is

a)

emigratie min immigratie

b)

immigratie min emigratie

c)

sterfte min geboorte

d)

geboorte min sterfte

2.

De periode na 1985 kenmerkt zich door

a)

Re-urbanisatie

b)

Urbanisatie

c)

Suburbanisatie

3.

Een voorziening heeft een minimum aantal klanten nodig om te kunnen bestaan

a)

Reikwijdte

b)

Drempelwaarde

c)

Verzorgingsgebied

4.

Welk begrip hoort hierbij: dalende geboortecijfers zorgen voor een lager aandeel jongeren

a)

vergrijzing

b)

levensverwachting

c)

ontgroening

5.

De babyboom begon in Nederland

a)

in 1965

b)

in 1980

c)

in 1945

d)

in 1940

6.

suburbanisatie komt later dan urbanisatie

a)

juist

b)

onjuist

7.

Het gebied waar klanten vandaan komen

a)

Reikwijdte

b)

Drempelwaarde

c)

Voorzieningen

d)

Verzorgingsgebied

8.

Ik wil mijn brood dichterbij huis kunnen kopen; voor een bureaustoel wil ik wel een grotere afstand afleggen

a)

Drempelwaarde

b)

Reikwijdte

c)

Verzorgingsgebied

d)

Bereikbaarheid

9.

De bevolking van Nederland gaat in de toekomst groeien door immigranten. Dit is:

a)

Sociale bevolkingsgroei

b)

Natuurlijke bevolkingsgroei

10.

Wat is de belangrijkste oorzaak van het dalen van het geboortecijfer in Nederland?

a)

De levensverwachting neemt toe

b)

Er treedt ontgroening op

c)

Mensen gebruiken voorbehoedsmiddelen

11.

Welke redenering is juist?

a)

Nederland heeft in 2033 een negatieve bevolkingsgroei

b)

Nederland heeft in 2033 een negatief migratiesaldo

c)

Het aantal remigranten zal groter zijn dan immigrantenaantal

12.

Als in een jaar meer mensen zich in een gebied vestigen dan er vertrekken:

a)

Vestigingsoverschot

b)

Vertrekoverschot

13.

Met ongeveer hoeveel mensen nam de bevolking tussen 1850 en 2010 toe?

a)

Met 13 miljoen inwoners

b)

Met 17 miljoen inwoners

c)

Met 10 miljoen inwoners

d)

Met 7 miljoen inwoners

14.

De bevolkingstoename tussen 1950 en nu was vooral het gevolg van ....

a)

De dalende sterftecijfers

b)

De natuurlijke bevolkingsgroei

c)

De afnemende emigratie

d)

De immigratie

15.

Oost-Europeanen, zoals Polen, die op Nederlandse tuinbouwbedrijven werken om de oogst binnen te halen.

a)

Dit zijn rijksgenoten

b)

Dit zijn seizoensmigranten

c)

Dit zijn gastarbeiders

d)

Dit zijn vluchtelingen

16.

De groep Turken en Marokkanen die vanaf 1965 kwamen om mee te werken aan de industriële opbouw van Nederland.

a)

Dit zijn seizoensmigranten

b)

Dit zijn rijksgenoten

c)

Dit zijn gastarbeiders

d)

Dit zijn vluchtelingen

17.

Waardoor wordt de vergrijzing in veel Europese landen zoals Nederland en Duitsland versterkt?

a)

De toenemende levensverwachting.

b)

De vestiging van gastarbeiders.

c)

De vestiging van economisch vluchtelingen.

d)

Het stijgende sterftecijfer.

18.

Waar staat de letter C voor in deze afbeelding?

a)

De totale bevolkingsgroei

b)

De sociale bevolkingsgroei

c)

De natuurlijke bevolkingsgroei

19.
Het geboortecijfer gaat over het aantal levend geboren per ....
a)
10 inwoners
b)
100 inwoners
c)
1000 inwoners
d)
10000 inwoners
20.
In de periode 1950 t/m 1980 daalt het geboortecijfer in Nederland sterk. Welke twee begrippen passen hier het beste bij?
a)
Geboorten overschot en sterfteoverschot
b)
Ontgroening en vergrijzing
c)
Babyboom en suburbanisatie
d)
Vertrekoverschot en geboortecijfer