wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling derde trimester

Total questions: 83

Worksheet time: 51mins

Name
Class
Date
1.

ondenkbaar is een...

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

2.

parfumfles

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

3.

Een vrouwelijke fotograaf is een...

a)

fotograafster

b)

fotografe

4.

verkavelingsvlaams is...

a)

AN

b)

tussentaal

c)

dialect

5.

Eindmedeklinkers vallen weg bij...

a)

AN

b)

Tussentaal

c)

Dialect

6.

"Ne wettel" is...

a)

AN

b)

tussentaal

c)

dialect

7.

Is dit letterlijk of figuurlijk? Tijdens die krachtoefening moest de ene groep proberen de andere

over de streep te trekken.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

8.

Is dit letterlijk of figuurlijk? Na een aantal klachten over diefstal heeft de werkgever de

werknemer de deur gewezen

a)

Letterijk

b)

Figuurlijk

9.

Welke uitdrukking zoek ik?


Iemand ondervragen, onderzoeken wat iemand weet

a)

iemand aan de tand voelen

b)

iemand terecht wijzen

10.

Welke uitdrukking past bij deze zin?


Ik wil aan iedereen vertellen hoe graag ik je zie!

a)

Iets van de stal schreeuwen.

b)

Iets van de daken schreeuwen.

11.

Vul het juiste voorzetsel in...


Leerkrachten mogen zich niet te erg hechten ........ hun leerlingen, want wanneer het schooljaar afgelopen is, moeten ze alweer afscheid nemen.

a)

op

b)

in

c)

aan

d)

met

12.

Vul het juiste voorzetsel in.


Vele meisjes dwepen ..... Justin Bieber.

a)

met

b)

voor

c)

aan

d)

in

13.

Welk synoniem gebruik je voor...


sluw, listig

a)

stout

b)

nonchalant

c)

geraffineerd

14.

Welk synoniem gebruik je voor...


dwaas

a)

nonchalant

b)

absurd

c)

dwingend

15.

Welke uitdrukking zoek ik?


Daar zul je voor moeten boeten

a)

Dat zal je duur te staan komen

b)

Het gaat door merg en been

c)

Goed van de tongriem gesneden zijn

16.

een ....vissen

a)

kudde

b)

school

c)

roedel

17.

WWG of NWG: Ik ben vandaag zeer blij.

a)

WWG : ben

b)

NWG : ben

c)

NWG : ben + zeer blij

d)

NWG : ben + vandaag zeer blij

18.

Wat is mijn pv?

Waar zullen ze de dieren onderbrengen?

a)

zullen

b)

onderbrengen

19.

Dit wist je vast niet!

Wat is het onderwerp?

a)

dit

b)

je

c)

wist

d)

niet

20.

Wat is hier het volledige WWG?

Tinneke heeft gisteren gevoetbald met de meisjes.

a)

heeft

b)

gevoetbald

c)

heeft gevoetbald

21.

NWG of WWG?

Een operatie leek onvermijdelijk.

a)

NWG : leek

b)

WWG : leek

c)

NWG : leek onvermijdelijk

d)

WWG : een operatie leek

22.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Anne is een lieve dame.

a)

Anne

b)

Een lieve dame

c)

Geen LV mogelijk

23.

Wat is het lijdend voorwerp?

Jongens in de puberteit zoeken uitdagingen.

a)

Jongens

b)

in de puberteit

c)

uitdagingen

d)

zoeken

24.

Wat is het meewerkend voorwerp?

De leerkrachten leren jullie nieuwe dingen aan.

a)

nieuwe dingen

b)

leren aan

c)

geen mogelijk

d)

jullie

25.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De coach besprak de tactiek met de kinderen.

a)

de coach

b)

de tactiek

c)

de kinderen

d)

besprak

26.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Plotseling hoorden we een hoge pieptoon.

a)

plotseling

b)

hoorden

c)

pieptoon

d)

een hoge pieptoon

27.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Kun je het lijdend voorwerp vinden in deze zin?

a)

het lijdend voorwerp

b)

in deze zin

c)

kun je vinden

d)

vinden

28.

Het meervoud van logo is...

a)

logos

b)

logoo's

c)

logo's

d)

l'ogos

29.

In de winter____________ gaan wij vaak skiën

a)

'S Winters

b)

's Winters

c)

's winters

d)

s' Winters

30.

Opa zijn________ auto is gisteren gestolen

a)

Opaas

b)

Opa's

c)

opa's

d)

opas'

31.

Het meervoud van papa is...

a)

papass

b)

papa's

c)

papas

d)

papas'

32.

Het meervoud van taxi is...

a)

taxis

b)

taxi's

c)

taxies

d)

taxis'

33.

Één moet de eerste zijn.

éen =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

34.

Met z'n hoevelen zaten jullie in de klas?

hoevelen =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

35.

Je komt voor de zoveelste keer te laat!

Zoveelste =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

36.

Er waren elf leerlingen gaan betogen vorige week.

elf =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

37.

Omdat het druk was, waren alle stoelen bezet

Alle =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

38.

Sommige leerlingen kozen voor de optie sport.

sommige =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

39.

aardbeientaart

a)

samenstelling

b)

afleiding

40.

krokodillentranen

a)

samenstelling

b)

afleiding

41.

stuntelig

a)

samenstelling

b)

afleiding

42.

beukenhaag

a)

samenstelling

b)

afleiding

43.

landelijk

a)

samenstelling

b)

afleiding

44.

Welke woorden zijn afleidingen in deze zin?

Dit filmpje is onecht.

a)

dit, filmpje

b)

filmpje, is

c)

is, onecht

d)

filmpje, onecht

e)

dit, onecht

45.

Voor welk doelpubliek is deze affiche bestemd?

a)

kinderen

b)

jongeren

c)

volwassenen

46.

Voor welk doelpubliek is deze affiche bestemd?

a)

kinderen

b)

jongeren

c)

volwassenen

47.

niemand

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

48.

Wat is de vrouwelijke vorm van het beroep 'apotheker'?

a)

apothekeres

b)

apotheekster

49.

Wat is de vrouwelijke vorm van het beroep 'dief'?

a)

dievegge

b)

dievin

50.

Wat is de vrouwelijke vorm van het beroep 'redacteur'?

a)

redactrice

b)

redacteresse

51.
Vul het werkwoord 'beantwoorden' in op de puntjes. (t.t.)
De meester ... de vraag.
a)
beantwoort
b)
beantwoorde
c)
beantwoordt
d)
beantwoord
52.
Vul het werkwoord 'tekenen' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Annemarie heeft een mooie draak ...
a)
getekend
b)
getekent
c)
tekende
d)
getekendt
53.
Vul het werkwoord 'beantwoorden' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Is je vraag nu ...?
a)
beantwoort
b)
beantwoord
c)
beantwoordt
54.
Vul het werkwoord 'besturen' in op de puntjes. (t.t.)
Jan ... de radiografisch bestuurbare auto.
a)
bestuurt
b)
bestuurd
c)
bestuurdt
d)
bestuurde
55.
Vul het werkwoord 'besturen' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
De radiografisch bestuurbare auto wordt door Jan ...
a)
bestuurdt
b)
bestuurt
c)
bestuurd
d)
besturen
56.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
... je deze quiz leuk?
a)
vind
b)
vint
c)
vindt
d)
vond
57.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
Ik weet niet of iedereen de quiz leuk ...
a)
vint
b)
vind
c)
vindt
d)
vond
58.
Vul het werkwoord 'gebeuren' in op de puntjes. (t.t.)
Het ... nogal eens dat het werkwoord gebeuren verkeerd wordt vervoegd.
a)
gebeurdt
b)
gebeurde
c)
gebeurd
d)
gebeurt
59.
Vul het werkwoord 'gebeuren' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Misschien is dat bij jou ook wel eens ...
a)
gebeurdt
b)
gebeuren
c)
gebeurt
d)
gebeurd
60.
Vul het werkwoord 'worden' in op de puntjes. (t.t.)
Deze quiz is nu afgelopen. Ik ben benieuwd wie de winnaar ...
a)
word
b)
wordt
c)
werd
d)
geworden
61.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Verlangen jullie ook zo naar het weekend?

a)

ook

b)

zo

c)

naar

62.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Tijdens zijn eerste bezoek schaamde Johan zich voor zijn kleding.

a)

tijdens

b)

voor

c)

tijdens & voor

63.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Waarom knap jij dat klusje in het weekend niet op?

a)

in

b)

in & op

c)

op

64.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Heb je een verklaring voor je gedrag in de klas?

a)

voor

b)

voor & in

c)

in

65.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Doe jij morgen mee met die sponsorloop?

a)

mee

b)

mee & met

c)

met

66.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
67.
Stel: een tekst heeft drie delen. Eén gaat over paardrennen, het tweede deel gaat over poker en het derde gaat over speelautomaten. Wat zal het onderwerp van deze tekst zijn?
a)
Maneges
b)
Sporten
c)
de Nederlandse overheid
d)
Gokken
68.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

Het bevat het belangrijkste nieuws van een nieuwsbericht.

b)

Het vat de belangrijkste inhoud van een tekst in enkele zinnen samen.

c)

Het vertelt in één zin wat de tekst over het onderwerp van de tekst zegt.

69.

Hun buurvrouw heeft vijf katten.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

geen voornaamwoord

70.

Ik amuseer me bij het opstellen van deze quiz.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

geen voornaamwoord

71.

Heb je zin in een leuke quiz?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

geen voornaamwoord

72.

Jullie helpen jullie klasgenoten heel goed.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

geen voornaamwoord

73.

Het meisje is dolverliefd.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

geen voornaamwoord

74.

Hij schaamt zich voor zijn geknoei.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

geen voornaamwoord

75.

Het regent al de hele voormiddag.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

geen voornaamwoord

76.

We kennen haar als een sloddervos.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

geen voornaamwoord

77.

Je verveelt ... vaak in de les, zeker?

a)

jou

b)

je

c)

zich

d)

jullie

78.

De leerkracht geeft ... extra uitleg.

a)

we

b)

ons

c)

wij

d)

onze

79.

Heb ik ... al uitgenodigd voor het feest?

a)

u

b)

uw

80.

Ik geef ... agenda straks terug.

a)

jou

b)

jouw

81.

We denken veel aan ...

a)

hij

b)

zijn

c)

hem

d)

hun

82.

Sprak ik met ... vader?

a)

u

b)

uw

83.

Wij vergissen ... ook wel eens.

a)

ons

b)

zich

c)

we

d)

wij