wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ordening bs 1-10

Total questions: 20

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Determineren is het indelen van organismen in groepen.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

Van welk organisme zal een cel geen celwand bevatten?

a)

Organisme 1

b)

Organisme 2

c)

Organisme 3

d)

Organisme 4

3.

Prokaryoten zijn altijd eencellige organismen.

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Een paard en een ezel kunnen samen nakomelingen krijgen. De nakomelingen van een ezel (hengst) en een paard (merrie) heten 'muildieren'. De nakomelingen van een paard (hengst) en een ezelin heten 'muilezels'. Muilezels en muildieren zijn niet vruchtbaar.


Behoren een ezel en een paard tot één soort?

a)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen voortbrengen.

b)

Ja, want ze stammen uit hetzelfde geslacht

c)

Ja, want ze kunnen vruchtbare nakomelingen voortbrengen.

5.

Verschillende voedingsmiddelen worden gemaakt met behulp van bacteriën.


Welke voedingsmiddelen zijn dit?

bier schimmelkaas

a)

yoghurt

b)

zuurkool

c)

kwark

d)

brood

e)

wijn

6.

Paddenstoelen hebben een functie bij de voortplanting van schimmels.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

De herfst is het meest gunstige seizoen voor paddenstoelen.

Waardoor komt dit?

a)

Er ligt weinig afgestorven blad, de lucht is vochtig en de temperatuur is nog hoog.

b)

Er ligt veel afgestorven blad, de lucht is droog en de temperatuur is al laag.

c)

Er ligt veel afgestorven blad, de lucht is vochtig en de temperatuur is nog hoog.

8.

De groene aanslag op de deur in de afbeelding zijn organismen die behoren tot het plantenrijk.


Tot welke stam van het plantenrijk behoren deze organismen?

a)

Wieren

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

9.

Bij welke afdeling hoort dit?

- wel wortels

- wel stengels

- wel bladeren

- geen bloemen

a)

Algen

b)

Zaadplanten

c)

Sporenplanten

d)

Geen van allen

10.

*Twan zegt, dat sommige bacterien voedsel kunnen afbreken en dat ze zich voortplanten d.m.v. deling.

*Jan zegt dat bacterien een celkern hebben.

Wie heeft er gelijk?

a)

Beide gelijk

b)

Beide ongelijk

c)

Twan heeft gelijk

d)

Jan heeft gelijk

11.

In een dierengids staat bij een foto de volgende beschrijving: 'De dieren zijn niet-symmetrisch. Ze hebben een skelet van stevige hoornvezels tussen de cellen en ze leven vastzittend op de bodem van de zee.'


Welke dieren zijn op de foto in de dierengids te zien?

a)

Neteldieren

b)

Stekelhuidigen

c)

Sponzen

d)

Weekdieren

12.

Welke van de afgebeelde dieren zijn tweezijdig symmetrisch?

a)

Alleen de dieren 1 en 2.

b)

Alleen de dieren 2 en 3.

c)

Alleen de dieren 2 en 4.

d)

Alleen de dieren 3 en 4.

13.

Dieren met een uitwendig skelet met een soort pantser behoren tot de geleedpotigen.

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Bij welk organisme worden onverteerde voedselresten verwijderd via de celanus?

a)

De amoebe.

b)

Het pantoffeldiertje.

15.

Door welk celkenmerk van dierlijke cellen kan een amoebe telkens van vorm veranderen?

a)

Het bevatten van een celwand.

b)

Het hebben van een celkern.

c)

Het ontbreken van een celwand

d)

Het hebben van een celmembraan.

e)

Het bevatten van cytoplasma.

16.

De gewervelden is één van de groepen waarin zoogdieren worden ingedeeld.


Hoe wordt de groep van de zoogdieren genoemd?

a)

Een familie

b)

Een geslacht

c)

Een klasse

d)

Een stam

17.

Hoe wordt de groep van de maki's genoemd?

a)

Een familie.

b)

Een geslacht.

c)

Een klasse.

d)

Een orde.

18.

Een miljoenpoot heeft een ..........

a)

een uitwendig skelet

b)

gelede poten

c)

een geheel gesegmenteerd lichaam

d)

poten aan elk segment.

19.

Noem een kenmerk van insecten die bij een rups wel is te zien.

a)

De rups heeft een kop, borststuk en achterlijf.

b)

De rups heeft zes gesegmenteerde poten.

c)

Een rups heeft een pantser.

20.

Veel vogels en zoogdieren kunnen in de winter een actief leven leiden.


Hoe kan dat? Meerdere antwoorden kunnen goed zijn.

a)

Vogels en zoogdieren zijn goed toegerust om hun lichaamstemperatuur op peil te houden.

b)

Vogels en zoogdieren zijn minder afhankelijk van de omgevingstemperatuur dan andere gewervelden.

c)

Vogels en zoogdieren hebben in de winter meer voedsel tot hun beschikking dan andere gewervelden.

d)

Vogels en zoogdieren zijn warmbloedig.