wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

verziend en bijziend

Total questions: 24

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Nora is bijziend. Dat betekend dat:

a)

Ze in de verte wel goed kan zien

b)

Ze dichtbij goed kan zien

c)

Haar ooglens te zwak is

d)

Dit verholpen kan worden met positieve lenzen

2.

Wat hebben een oudziende en een verziende met elkaar gemeen?

a)

Ze kunnen beide ver weg zonder bril goed zien

b)

Ze kunnen beide dichtbij niet goed zien

c)

Ze kunnen beide slecht accomoderen

d)

Ze kunnen beide ver weg zien door te accomoderen

3.

Welke lichtstraal is juist getekend?

a)

bovenste

b)

middelste

c)

onderste

d)

allemaal

4.

Welk deel van het oog is aangeduid met 8?

a)

lens

b)

regenboogvlies

c)

netvlies

d)

pupil

5.

Welk deel van het oog is aangeduid met 2?

a)

gele vlek

b)

blinde vlek

c)

netvlies

d)

glasachtig lichaam

6.

Met welke lens wordt verziendheid gecorrigeerd?

a)

holle

b)

bolle

7.

Wat houdt de vorm van ons oog mooi rond?

a)

hoornvlies

b)

wimpers

c)

iris

d)

harde oogvlies

8.

Welke delen van het oog zorgen ervoor dat ons oog beschermd wordt?

a)

oogkas - wimpers - hoornvlies

b)

wimpers - oogkas - oogleden

c)

oogleden - glasachtig lichaam - wenkbrauwen

d)

netvlies - oogleden - wenkbrauwen

9.

Wat stelt volgende tekening voor?

a)

verziend

b)

bijziend

c)

blindheid

d)

staar

10.
hoe gaat licht door naar je oog?
a)
pupil>lens>netvlies
b)
hoornvlies > pupil > lens > glasachtig lichaam > netvlies
c)
lens > pupil > netvlies >glasachtig lichaam
d)
hoornvlies > lens > pupil > glasachtig lichaam > netvlies
11.
wat is bijziend? en wat is verziend?
a)
bijziend: als je wel van dichtbij kan kijken, en een bril voor verweg nodig hebt. verziend: als je een bril voor verweg nodig hebt, en wel dichtbij kan zien
b)
bijziend: als je een bril voor dichtbij nodig hebt. verziend: als je wel veraf kan zien maar niet dichtbij
c)
bijziend: als je wel dichtbij kan zien, maar niet verweg. verziend: als je wel verweg kanzien, maar niet dichtbij.
d)
bijziend: als je niks kan zien. verziend: dat je een beetje kan zien
12.
Wat geeft ultraviolette stralen af en welk effect hebben deze op onze huid?
a)
De zon, de UV-stralen werken in op het pigment en dit kleurt je huid bruin.
b)
De zon, de UV-stralen werken in op de zenuwen en dit kleurt je huid bruin.
13.
Leg het verschil uit tussen ver- en bijziend.
a)
Bijziend = goed dichtbij kunnen zien.
b)
Bijziend = goed van ver kunnen zien.
c)
Verziend = goed van dichtbij kunnen zien.
14.
Wat doet een netvlies?
a)
Het staat in verbinding met je pupillen. Die leiden het beeld naar je hersenen.
b)
Die staat in verbinding met je oogzenuwen en die seinen het beeld naar je hersenen.
c)
Die staat in verbinding met het ruggenmerg en die seint het beeld naar je hersenen.
15.

bij welke van de ogen zou het waarschijnlijk donker zijn?

a)

oog 1

b)

oog 2

c)

bij beide

16.

wat is de functie van het pupilreflex?

a)

ervoor zorgen dat er steeds een scherp beeld op netvlies ontstaat

b)

de hoeveelheid licht regelen die op het netvlies valt

c)

de ogen beschermen tegen indringend vuil

17.

wat is de adequate prikkel voor de zintuigen op je netvlies?

a)

licht

b)

zien

18.

bij welk nummer in de afbeelding wordt er een voorwerp van dichtbij bekeken?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

dat is in deze afbeelding niet te zien

19.

met welke zintuigen in je oog kun je bij heel weinig licht toch wat zien

a)

pupil

b)

kegeltjes

c)

staafjes

20.

welke zintuigcellen bevinden zich in de gele vlek

a)

alleen staafjes

b)

alleen kegeltjes

c)

zowel staafjes als kegeltjes

d)

geen van beide

21.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
22.
Het beeld dat zich op het netvlies vormt is:
a)
Omgekeerd
b)
Het zelfde
c)
Groter
23.
Het boller en platter worden van de lens noemen we:
a)
Accomodaty
b)
Accomoderen
c)
Accomolatie
d)
Accodilatie
24.
Wat doet een netvlies?
a)
Het staat in verbinding met je pupillen. Die leiden het beeld naar je hersenen.
b)
Die staat in verbinding met je oogzenuwen en die seinen het beeld naar je hersenen.
c)
Die staat in verbinding met het ruggenmerg en die seint het beeld naar je hersenen.