wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 4,5,6

Total questions: 49

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
2.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 2?
a)
Spaakbeen
b)
Schouderblad
c)
Borstbeen
d)
Wandbeen
3.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
4.

Nummer 7 zijn.....

a)

Teenkootjes

b)

Vingerkootjes

c)

Middenhandsbeentjes

d)

Middenvoetsbeentjes

5.

Nummer 24 is

a)

Dijbeen

b)

Opperarmbeen

c)

Schouderblad

d)

Sleutelbeen

6.

Nummer 12 is ...

a)

Dijbeen

b)

Spaakbeen

c)

Kuitbeen

d)

Scheenbeen

7.
Wat zijn je zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, handen
b)
ogen, tong, oren, huid, neus
c)
ogen, voeten, mond, huid, neus
d)
ogen, oren, tong, huid, gevoel
8.
Welke nummer is de oorgang
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
9.

Wat is nummer 4,5,9

a)

Oorgang

b)

Trommelvlies

c)

Gehoorsbeentjes

d)

Oorzenuw

10.
welk nummer is het slakkenhuis?
a)
6
b)
7
c)
8
d)
9
11.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
12.

Met welk deel wordt traanvocht geproduceerd?

a)

deel 2

b)

deel 6

c)

deel 1

d)

deel 4

13.

Met deel P is een evenwichtszintuig aangegeven

a)

waar

b)

niet waar

14.

met welke delen wordt de hoeveelheid licht geregeld?

a)

alleen deel 3

b)

alleen deel 5

c)

deel 4 en 5

d)

deel 2, 4 en 5

15.

bij welke van de ogen zou het waarschijnlijk donker zijn?

a)

oog 1

b)

oog 2

c)

bij beide

16.

bij welk nummer in de afbeelding wordt er een voorwerp van dichtbij bekeken?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

dat is in deze afbeelding niet te zien

17.
Wat houdt de neusholte vochtig?
a)
Reukzintuig
b)
De lucht die je inademt
c)
Neusslijmvlies
18.
Welke zin klopt niet?
a)
Met je tong proef je bitter, zuur, zout en zoet.
b)
Je proeft omdat er smaakstoffen in je neus komen.
c)
Bij het proeven werken reuk en smaak samen.
d)
Je gebruikt ook je ogen om voedsel te 'keuren'.
19.
Welke zintuigen zitten op je tong?
a)
Smaakzintuigen
b)
Warmtezintuigen
c)
Tastzintuigen
d)
Koudezintuigen
20.
Stelling: Als je verkouden bent, kun je minder goed proeven.
a)
Juist
b)
Onjuist
21.
wat is nummer 8,6,4 en 10
a)
8=blindevlek 6=netvlies 4=harde oogvlies 10=vaatvlies
b)
8=vaatvlies 6=blindevlek 4=netvlies 10=hardeoogvlies
c)
8=gelevlek 6=blindevlek 4=glasachtiglichaam 10=lensbandjes
22.
hoe gaat licht door naar je oog?
a)
pupil>lens>netvlies
b)
hoornvlies > pupil > lens > glasachtig lichaam > netvlies
c)
lens > pupil > netvlies >glasachtig lichaam
d)
hoornvlies > lens > pupil > glasachtig lichaam > netvlies
23.

Waaruit bestaat het centrale zenuwstelsel

a)

Hersenen en ruggenmerg

b)

Kleine en grote hersenen

c)

Ruggenmerg en zenuwen

d)

Cellichaam en celkern

24.

Het zenuwstelsel bestaat uit:

a)

Centrale zenuwstelsel en zenuwen

b)

Ruggenmerg en hersenen

c)

Zenuwen en het ruggenmerg

d)

Hersenen en zenuwen

25.

Maakt een beenzenuw deel uit van het centrale zenuwstelsel?

a)

Nee

b)

Ja

26.

Door wat wordt een prikkel omgezet in een impuls?

a)

Zenuwcellen

b)

Zintuigcellen

c)

Hersenencellen

d)

Ruggenmergcellen

27.

Wat is een impuls?

a)

Een invloed vanuit het milieu

b)

Elektrische signalen

c)

Die neemt een prikkel waar

d)

Een zenuw

28.

Wat is de goede weg van een prikkel?

a)

zintuig - impulsen - zenuw - hersenen - impulsen - ruggenmerg - spier/klier

b)

zenuw - impulsen - zintuigen - hersenen - impulsen - ruggenmerg - spier/klier

29.
Juist of onjuist?
Alcohol is niet schaddelijk voor het lichaam.
a)
Juist
b)
Onjuist
30.

Wat is een reflex?

a)

een niet automatische reactie op een prikkel

b)

bewustwording van pijn

c)

een automatische reactie op een prikkel

d)

prikkelgeleiding

31.

Waaruit bestaat een zenuw

a)

Cellichaam, celkern en uitlopers

b)

Uitlopers en een celkern

c)

Een lange uitloper

d)

Celkern, celwand en bladgroenkorrels

32.

Grote hersenen regelen

a)

Bewuste waarnemingen

b)

Onbewuste waarnemingen

33.

Kleine hersenen regelen:

a)

De coördinatie van de bewegingen

b)

Bewuste bewegingen

34.

Zie je iets bewust op het moment dat impulsen ontstaan in de ogen?

a)

Juist

b)

Onjuist

35.
Welk type beenverbinding is zeer beweeglijk?
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Gewrichten
c)
Naadverbinding
d)
Vergroeiing
36.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
37.
Bij welke blessure is de pees bij de elleboog ontstoken?
a)
Botbreuk
b)
Kneuzing
c)
Tennisarm
d)
RSI
38.
Met welke type beenverbinding zijn de wervels met elkaar verbonden?
a)
Gewrichten
b)
Kraakbeen
c)
Scharniergewricht
39.
Bevatten de botten van een baby (in verhouding) meer lijmstof of kalkstof?
a)
Lijmstof
b)
Kalkstof
40.
Wat is GEEN functie van het skelet?
a)
Bescherming
b)
Vorm
c)
Beweging
d)
Verteren
41.
Wat is een pees?
a)
Uiteinde van een spier
b)
Dood weefsel
c)
Stijve spier
42.
Welk type gewricht zit er tussen het opperarmbeen en de onderarm?
a)
Scharniergewricht
b)
Rolgewricht
c)
Kogelgewricht
43.
Hoe noem je twee spieren die de tegenovergestelde beweging van elkaar maken?
a)
Tegenstanders
b)
Anti-spieren
c)
Opponenten
d)
Antagonisten
44.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
45.
Welke vorm zorgt ervoor dat de wervelkolom schokken kan opvangen?
a)
Golvende vorm
b)
Dubbele s-vorm
c)
Scoliose
46.
Bevat een dijbeen van een oudere vooral veel kalk of veel lijmstof?
a)
Kalk
b)
Lijmstof
47.
Welk type gewricht zit tussen schouderblad en opperarmbeen?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
48.
Wat is het doel van een reflex?
a)
Bescherming
b)
Bescherming + Ontlasting brein
c)
Bescherming + Beweging
d)
Ontlasting brein
49.
Een invloed van buiten af op een organisme noemen we een:
a)
Impuls.
b)
Prikkel.
c)
Invloed.
d)
Reflex.