wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4H H1 Wereldbeeld

Total questions: 10

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Welke twee van onderstaande uitspraken zijn juist?

a)

Als je uitzoomt, krijg je pas een goed beeld van de bevolkingsspreiding.

b)

De migratie tussen Europese landen bestaat vooral uit arbeidsmigratie.

c)

De verandering in bevolkingsspreiding op aarde komt vooral door de trek naar stedelijke gebieden.

d)

Gelukkig treft de verwachte zeespiegelstijging niet de deltagebieden op aarde.

e)

In vertrekgebieden overheersen de pullfactoren.

2.

Welk begrip speelt géén rol in de bepaling van de welzijnsindex?

a)

de alfabetiseringsgraad

b)

de koopkracht

c)

de levensverwachting

d)

de voedselsituatie

3.

Juist of onjuist: De motor achter arbeidsmigratie is het verschil in welvaart.

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Juist of onjuist: Politieke vluchtelingen migreren meestal over een grotere afstand dan ecologische vluchtelingen.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Elke dag worden er 365 000 baby’s geboren, waarvan 57 procent in Azië. Dat komt doordat Azië ...

a)

een hoge natuurlijke groei heeft.

b)

een hoog geboortecijfer en een grote bevolking heeft.

c)

een hoog geboortecijfer heeft.

d)

een omvangrijke bevolking heeft.

6.

Er zijn tal van factoren die je kunt gebruiken om de armoede in de periferie te verklaren.

Welke drie factoren horen tot de groep van interne factoren?

a)

Geen verbinding met zee.

b)

Koloniaal verleden van het land.

c)

Land is erg corrupt.

d)

Positie van het land in de internationale arbeidsverdeling.

e)

Weinig natuurlijke hulpbronnen.

7.

Welke drie uitspaken zijn juist?

a)

De suburbanisatie in de westerse landen is over haar hoogtepunt heen.

b)

Het aantal kinderen per vrouw is in arme landen in de stad hoger dan op het platteland.

c)

Het verstedelijktempo is het hoogst in Afrika.

d)

Het verschil in verstedelijkingsgraad tussen arme en rijke landen wordt steeds groter.

e)

Wereldsteden vind je vooral in de westerse landen.

8.

De verschillen in welvaart aan beide kanten van de Mexicaans-Amerikaanse grens zijn groot. Welke twee economische maatstaven kun je gebruiken om die verschillen te meten?

a)

de alfabetiseringsgraad

b)

de levensverwachting

c)

de prijzen van goederen

d)

de verdeling van de beroepsbevolking

e)

het bbp per hoofd

9.

Wat staat er niet op de Mexicaanse handelsbalans?

a)

de opbrengsten van de olie-export naar de VS

b)

de waarde van de geëxporteerde goederen vanuit de maquiladoras

c)

de waarde van de geldovermakingen van Mexicaanse migranten in de VS

d)

de waarde van de geïmporteerde goederen uit de VS

10.

De migratie vanuit het midden en zuiden van Mexico naar de noordelijke deelstaten is ook zichtbaar in de leeftijdsopbouw van deze deelstaten.

Op welke twee manieren wijkt de leeftijdsopbouw van de grensregio af van de leeftijdsopbouw in Mexico? Meerdere antwoorden zijn juist!

a)

De grensstreek heeft een jongere bevolking.

b)

De grensstreek heeft een oudere bevolking.

c)

In de grensstreek zijn beter geschoolden oververtegenwoordigd.

d)

In de grensstreek zijn jonge vrouwen oververtegenwoordigd.

e)

In de grensstreek zijn vrouwen oververtegenwoordigd.