wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

G&S H5 en H6 2e klas

Total questions: 58

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.
Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een...
a)
mens, dier of auto
b)
mens, dier of ding
2.
Welke woorden zijn zelfstandige naamwoorden in deze zin?
Aan het hek hangt een brief.
a)
het hek, een brief
b)
hek, brief
3.
Welke woorden zijn zelfstandige naamwoorden in deze zin?
Op de drukke kruising toetert een auto.
a)
toetert, auto
b)
kruising, auto
4.
Welke woorden zijn zelfstandige naamwoorden in deze zin?
Jeroen fietst sneller dan zijn vrienden.
a)
Jeroen, vrienden
b)
fietst, vrienden
5.
Welke woorden zijn zelfstandige naamwoorden in deze zin?
De jongens voetballen op het grote grasveld.
a)
jongens, grasveld
b)
grasveld, voetballen
6.
Wat kan een zelfstandig naamwoord zijn?
a)
hij, zij, ik
b)
de, het, een
c)
grote, kleine, bruine
d)
Mensen, dieren, dingen
7.

Volgende week wordt in Amsterdam een gratis maaltijd gereserveerd.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

8.

Volgende week wordt in Amsterdam een gratis maaltijd gereserveerd.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

9.

Volgende week wordt in Amsterdam een gratis maaltijd gereserveerd.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

10.

De maaltijd bestaat uit producten die nooit bij de consument terechtkomen.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

11.

De maaltijd bestaat uit producten die nooit bij de consument terechtkomen.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

lidwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

12.

Welke woorden zijn zelfstandig naamwoorden?

a)

Ajax, hertje, liefde

b)

de, het, een

c)

leuke, mooie, groene

d)

eten, gamen, kijken

13.

Hoeveel werkwoorden staan er in de zin: Wipneus en Pim hebben weer een spannend avontuur beleefd.

a)

geen

b)

één

c)

twee

d)

drie

14.

Hoe noem je de onderstreepte woorden? De jas is nieuw en mooi.

a)

lidwoorden

b)

zelfstandig naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

bijvoeglijk naamwoorden

15.

Veel gecamoufleerde dieren weten zich ook heel stil te houden.

a)

Veel

b)

stil

c)

dieren

d)

gecamoufleerde

16.

De Weddellzeehond heeft gewone tanden.

a)

Weddellzeehond

b)

heeft

c)

gewone

d)

tanden

17.

Daarna hoor je een harde knal.

a)

daarna

b)

hoor

c)

harde

d)

knal

18.
Het snelle konijn werd niet gevangen.
a)
snelle
b)
konijn
c)
werd
d)
gevangen
19.
Daarom wil ik het tamme konijn kopen.
a)
wil
b)
ik
c)
tamme
d)
konijn
20.
Wat is het onderwerp in deze zin?
Piet heeft gisteren een frietje gegeten.
a)
Piet.
b)
heeft gegeten.
c)
een frietje.
d)
gisteren. 
21.
Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden zitten er in de zin: De rokende stewardess werd door de hardvochtige manager direct na de lange vlucht ontslagen.
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
22.
In de zin: De oude man genoot van de voetballende kinderen onder zijn raam is voetballende een .....
a)
zelfstandig naamwoord
b)
bijvoeglijk naamwoord
c)
zelfstandig werkwoord
d)

voorzetsel

23.

Parijs is een prachtige stad.


Onder welke woordsoorten vallen de woorden: Parijs en stad?

a)

Zelfstandige naamwoorden

b)

Werkwoorden

c)

Lidwoorden

d)

Bijvoeglijke naamwoorden

24.

'breken' is een ................

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

25.

Wat is het voltooid deelwoord van bezemen?

a)

bezemde

b)

bezemt

c)

gebezemd

d)

gebezemt

26.

Geef de hij-vorm van botsen in de verleden tijd.

a)

hij botstte

b)

hij botste

c)

hij botseerde

d)

hij botsde

27.

Wat is de infinitief (heel werkwoord) van ik geef

a)

geeft

b)

geven

c)

gegeven

d)

gegevens

28.

Welk tekstdoel heeft een filmposter?

a)

Informeren

b)

Activeren

c)

Amuseren

d)

Mening geven

29.

Jamie Oliver is een bekende kok van TV. Hij verkoopt ook boeken waar hele makkelijke recepten in staan. Daarin wordt stap voor stap uitgelegd hoe je bijvoorbeeld een gerecht met zalm maakt.


Wat is het tekstdoel van zo'n recept?

a)

activeren

b)

amuseren

c)

instructie geven

d)

overtuigen

30.

Wat gaan jullie scoren voor de toets?

a)

Allemaal goede cijfers!

b)

Allemaal goede cijfers!

c)

Allemaal goede cijfers!

d)

Allemaal goede cijfers!

31.

De docent lacht om de grijns van Henry.


Welke woordsoort staat niet in deze zin?

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

32.

Wat is een zelfstandig naamwoord?

a)

Een woord voor mensen, dieren, planten, dingen en namen.

b)

Zegt iets over een bijvoeglijk naamwoord.

c)

De, het en een

d)

het is een doe-woord

33.
Een lidwoord komt alleen voor samen met een zelfstandig naamwoord
a)
goed
b)
fout
34.

Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin?

Wil je nog een drankje?

a)

wil

b)

je

c)

nog

d)

drankje

35.

Welke woorden zijn bijvoeglijke naamwoorden in de zin: Mijn lieve dochter had gisteravond op de valreep nog een spetterend feestje van haar beste vriendin.

a)

lieve, valreep, gisteravond

b)

lieve, spetterend, beste

c)

gisteravond, spetterend

d)

lieve, beste

36.

Hoe schrijf je het bijvoeglijk naamwoord uit de volgende zin?

De (wol)........... trui was lekker warm.

a)

wol

b)

wolle

c)

wollen

37.

Welke werkwoorden vind je in de volgende zin?


Het zou kunnen, dat ik ga vliegen in de maand juli.

a)

zou, kunnen

b)

zou, kunnen, ga, vliegen

c)

zou, kunnen, ga

d)

maand juli

38.

Vul het werkwoord goed in.


Rijden.

De man............................gisteren over het fietspad.

a)

rijdt

b)

reedt

c)

rijd

d)

reed

39.

Vul in.


breken.

Ik heb mijn been....................................

a)

gebroken

b)

gebrooken

c)

gebreekt

d)

breken

40.

Wat is het meervoud van: de jongen

a)

De jongen's

b)

De jongens

c)

De jongenen

d)

De jongennen

41.

Wat is het meervoud van: het potlood

a)

De potloden

b)

De potlooden

c)

De potloods

d)

Het potlooden

42.

Wat is het meervoud van: de computer

a)

de computeren

b)

de computers

c)

de computer's

d)

de computerren

43.

Wat is het meervoud van: de taxi

a)

de taxien

b)

de taxis

c)

de taxi's

d)

de taxies

44.

Wat is een feit?

a)

Jij vindt van wat je ziet, hoort of leest.

b)

Het is iets dat echt waar is. Iedereen weet en kan zien dat het zo is

c)

Je had eerst een andere mening, maar je bent van mening veranderd.

d)

Een feit is iets zoals het lijkt en je denkt dat het zo zit, maar dat is niet zo.

45.
Een eigennaam zoals ''Jan'' is een ...
a)
Bijvoeglijk naamwoord
b)
Bijwoord
c)
Zelfstandig naamwoord
d)
Werkwoord
46.
Tussen een lidwoord en een zelfstandig naamwoord kan er een bijvoeglijk naamwoord staan.
a)
Juist
b)
Onjuist
47.
Bijvoeglijk naamwoorden kunnen ook achter een zelfstandig naamwoord staan.
a)
Juist
b)
Onjuist
48.
Bijvoeglijk naamwoorden zeggen iets over een:
a)
Voorzetsel
b)
Werkwoord
c)
Zelfstandig naamwoord
d)
Bijwoord
49.

Welke zin is juist?

a)

Waarom besteed je niet meer tijd aan die maaltijd?

b)

Waarom besteedt je niet meer tijd aan die maaltijd?

50.

Wat is de PV in deze zin?

Volgens mij verwaarloost een goede boer zijn dieren nooit.

a)

volgens

b)

verwaarloost

c)

dieren

d)

nooit

51.

Wat is het VD in deze zin?

De hardwerkende vakkenvuller heeft een extra beloning verdiend.

a)

vakkenvuller

b)

heeft

c)

beloning

d)

verdiend

52.

Hoe spel je het VD in deze zin?

Volgens de krant hebben de economen zich (vergissen).

a)

vergist

b)

vergisst

c)

vergisd

d)

vergissd

53.

Schrijf de juiste vorm op van vermoeden in de TT.

De politieagent (vermoeden-tt) dat zij de dief is.

a)

vermoeden

b)

vermoed

c)

vermoedt

d)

vermoet

54.

Schrijf de juiste vorm van het ww op in de TT.

Vorige week (zijn-tt) het glas van mijn horloge gebroken.

a)

was

b)

zijn

c)

is

d)

waren

55.

Wat is het verkleinwoord van koning?

a)

koningen

b)

koningetje

c)

koninkje

d)

koningkje

56.

wat is het verkleinwoord van ring?

a)

ringetje

b)

ringentje

c)

rinkje

d)

rinegtje

57.

Wat is het verkleinwoord van woning?

a)

woningetje

b)

woninkje

c)

woningkje

d)

wonings

58.

Welke lettercombinatie komt NIET voor in verkleinwoorden?

a)

ngk

b)

nkg

c)

kgn

d)

gnk