Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Systeem Aarde H3 en H4

Total questions: 52

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de juiste volgorde van luchtdrukgebieden? H=hoog, L=laag

a)

H

L

H

L (evenaar)

H

L

H

b)

L

H

L

H (evenaar)

L

H

L

2.

Welke uitspraak is juist:

I: Door de verschuiving van de ITCZ ontstaat de moesson.

II: Bij het passeren van de evenaar verandert de wind van richting.

a)

Beiden uitspraken zijn juist.

b)

Beiden uitspraken zijn onjuist.

c)

Uitspraak I is juist. Uitspraak II is onjuist

d)

Uitspraak I is onjuist. Uitspraak II is juist.

3.

Hoe is de atmosfeer opgebouwd?

a)

atmosfeer, mesosfeer, troposfeer, heelal

b)

troposfeer, stratosfeer, mesosfeer, thermosfeer

c)

stratosfeer, mesosfeer, thermosfeer, troposfeer

4.

Het is in het poolgebied kouder dan op de evenaar omdat zonnestralen een groot gebied moeten verwarmen en omdat de zonnestralen een lange weg af moeten leggen door de atmosfeer. Welke factor draagt nog meer bij aan de lage temperatuur op de polen?

a)

Er is meer ijs op de polen

b)

Versterkt broeikaseffect

c)

Albedo-effect

d)

ITCZ

5.

Als de zon loodrecht staat op de steenbokskeerkring, is het zomer op het zuidelijk halfrond en winter op het noordelijk halfrond.

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Stijgingsregens ontstaan

a)

doordat lucht opstijgt door opwarming van de zon

b)

doordat lucht daalt door opwarming van de zon

7.

Waarom is het droog in woestijnen?

a)

De lucht stijgt daar. Stijgende lucht koelt af en daarom is het droog

b)

De lucht daalt daar. Dalende lucht wordt warmer en wolken lossen op.

8.

Het corioliseffect in het kort:

a)

De wind krijgt een afwijking door het draaien van de aarde

b)

Wind waait van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied

c)

Stijgende zeespiegel door klimaatverandering

9.

Wat zijn de gevolgen van een versterkt broeikaseffect op orkanen?

a)

Meer orkanen

b)

Krachtigere orkanen

c)

Meer orkanen door El Nino

d)

Orkanen op onverwachte plekken

e)

Orkanen buiten het orkaanseizoen

10.

Hoeveel neerslag valt er gemiddeld in de aride zone?

a)

250 mm of minder

b)

300 mm of minder

c)

350 mm of minder

d)

400 mm of minder

11.

Welke klimaten heeft Californië volgens het koppensysteem?

a)

Cs

b)

Cw

c)

Af

d)

Cf

12.

In welk gedeelte van de atmosfeer vind je de meeste gassen?

a)

troposfeer

b)

stratosfeer

c)

mesosfeer

d)

thermosfeer

13.

Bij welke temperatuur van het zeewater kan een orkaan tot ontwikkeling komen?

a)

25 graden Celsius

b)

26,5 graden Celsius

c)

27 graden Celsius

d)

27,5 graden Celsius

14.

Van 30 graden ZB en NB waaien de winden:

a)

Van de evenaar af

b)

Naar de evenaar toe

15.

Van 30 graden ZB en NB waaien de winden:

a)

Passaten

b)

Westenwinden

16.

De foto is een voorbeeld van...

a)

stijgingsneerslag

b)

stuwingsneerslag

c)

frontale neerslag

17.
Welke aanvulling van de definitie is juist?
Wind is een luchtverplaatsing van
a)
het noorden naar het zuiden
b)
het zuiden naar het noorden
c)
van een lagedrukgebied naar een hogedrukgebied
d)
van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied
18.

Als water van gasvorm overgaat naar vloeibare vorm, heet dat...? (een wolk is vloeibaar: druppels water)

a)

verdampen

b)

condenseren

c)

vriezen

d)

smelten

19.
Dalende lucht is.......?
a)
koude lucht
b)
droge lucht
c)
warme lucht
d)
vochtige lucht
20.

In een hoge drukgebied:

a)

daalt de lucht, waardoor er wolken ontstaan en neerslag

b)

daalt de lucht, waardoor wolken oplossen en er geen neerslag kan vallen

c)

stijgt de lucht, waardoor er wolken ontstaan en neerslag

d)

stijgt de lucht, waardoor wolken oplossen en er geen neerslag kan vallen

21.

Hoe dichterbij de evenaar, hoe warmer. Welke temperatuurfactor hoort hierbij?

a)

Hoogteligging

b)

Breedteligging

c)

Land-zeeverdeling

22.
Welk klimaat lees je af in deze klimaatgrafiek
a)
Tropisch klimaat
b)
Savanneklimaat
c)
Gematigd zeeklimaat 
d)
Steppeklimaat 
23.
Lucht stroomt altijd van....?
a)
A naar B
b)
lage druk naar hoge druk
c)
links naar rechts
d)
hoge druk naar lage druk
24.
Wat is luchtdruk?
a)
de beweging van lucht
b)
hoe snel de lucht beweegt
c)
het gewicht van de lucht
d)
of lucht veel te doen heeft
25.

Hoe komt het dat Nederland relatief zachte winters kent, en Canada (op dezelfde breedtegraad) relatief koude winters?

a)

Verschil in breedteligging.

b)

Verschil in hoogteligging.

c)

Verschil in ligging aan zee of in het land.

d)

Verschil in zeestromen.

26.

Zorgt aanlandige wind in de zomer voor verkoeling of opwarming aan de kust?

a)

Verkoeling

b)

Opwarming

27.

Kenmerken van een lage drukgebied:

stijgende lucht dus wolken en neerslag. Meestal een luchtdruk van onder de 1000 hPa. Andere benaming: depressie of minimum

a)

Juist

b)

Onjuist

28.

Kenmerken van een hoge drukgebied:

dalende lucht dus geen wolken en geen neerslag. Meestal een luchtdruk van boven de 1000 hPa. Andere benaming: maximum

a)

Juist

b)

Onjuist

29.

''Er ligt een lage drukgebied boven Nederland, want er is geen wolkje aan de lucht''

a)

Juist

b)

Onjuist

30.

Er kan alleen maar neerslag vallen in een lagedrukgebied. Dat komt omdat er dan sprake is van stijgende lucht en alleen dan kunnen er wolken gevormd worden, want de stijgende lucht condenseert.

a)

Juist

b)

Onjuist

31.

Savanneklimaat en tropisch regenwoudklimaat behoren allebei tot de 'tropische klimaten'. Wat is een verschil?

a)

In het tropisch regenwoudklimaat regent het het hele jaar door; savanneklimaat heeft een droge winter

b)

In het tropisch regenwoudklimaat zijn regenseizoenen; in het savanneklimaat regent het het hele jaar door

32.

Als je kijkt naar de breedteligging van plaats A en B, zou je concluderen dat het in plaats A kouder is dan in plaats B. Dat is niet zo. Hoe kan dat?

a)

Bij plaats A stroomt een koude zeestroom; bij plaats B een warme zeestroom

b)

Bij plaats B stroomt een koude zeestroom; bij plaats A een warme zeestroom

33.

Wat zijn de twee wetten van Buys Ballot? (2 antw goed)

a)

Wind waait van hoge naar lage drukgebied

b)

Wind waait van lage naar hoge drukgebied

c)

Wind krijgt op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond een afwijking naar links

d)

Wind krijgt op het noordelijk halfrond een afwijking naar links en op het zuidelijk halfrond een afwijking naar rechts

34.

Welke twee beweringen over de luchtdrukverdeling in de VS en in Nederland zijn juist?

a)

In Nederland en in de VS ontstaan door de wereldwijde windsystemen meestal westenwinden.

b)

Nederland en het zuiden van de VS liggen in dezelfde drukgordel.

c)

Het zuiden van de VS heeft meestal hoge druk.

d)

In Nederland en in de VS ontstaan door de wereldwijde windsystemen meestal oostenwinden

35.

Wat is het verband tussen een zeestroom en windrichting?

a)

Als de wind in een bepaalde richting waait, gaat ook een zeestroom in die richting stromen.

b)

Als de zee in een bepaalde richting stroomt, neemt het water de wind mee.

36.

Hoe zijn de windsystemen weer kloppend?

a)

Bij de evenaar, 30° en de polen hoort een hogedrukgebied, bij de 60° hoort een lagedrukgebied.

b)

Bij de evenaar en de 30° hoort een hogedrukgebied, bij de 60° en de polen hoort een lagedrukgebied.

c)

Bij de evenaar en de 60° hoort een lagedrukgebied, bij de 30° en de polen hoort een hogedrukgebied.

d)

Bij de evenaar en de polen hoort een hogedrukgebied, bij de 30° en de 60° hoort een lagedrukgebied.

37.

Uit welke 3 onderdelen bestaat hazardmanagement (rampenbestrijding)? (3 antw goed)

a)

waarschuwen

b)

stevig bouwen

c)

rampenplannen maken

d)

rampen voorkomen

38.

Is hazard management gemakkelijker uit te voeren bij een orkaan of bij een tornado?

a)

Orkaan, want die is makkelijker te voorspellen

b)

Tornado, want die is makkelijker te voorspellen

39.

In het oog van de orkaan:

a)

Waait het hard en stijgt de lucht

b)

Is het windstil en daalt de lucht

40.

Vanaf welke windkracht wordt een harde wind een orkaan genoemd?

a)

Vanaf windkracht 8 op de schaal van Beaufort

b)

Vanaf windkracht 12 op de schaal van Beaufort

41.

De Amerikaanse naam voor een orkaan is

a)

Cycloon

b)

Tyfoon

c)

Hurricane

d)

Tornado

42.

Als de zon loodrecht staat op de steenbokskeerkring, schuift de ITCZ met de zon mee naar het noorden, want waar de zon loodrecht op staat is de sterkste opstijging van lucht

a)

Juist

b)

Onjuist

43.

In welke zone is de meeste kans op erosie door de wind?

a)

Boreale zone

b)

Subtropische zone

c)

Aride zone

d)

Gematigde zone

44.

Om zo weinig mogelijk verzilting te veroorzaken, kunnen boeren het best gebruik maken van

a)

Druppelirrigatie

b)

Beregening

45.

''Verlies aan biologische en economische productiecapaciteit van het land. De grond is niet goed meer goed bruikbaar''.

a)

Verzilting

b)

Verwoestijning

c)

Landdegradatie

d)

Ontbossing

46.

Overbeweiding is een oorzaak van

a)

Verwoestijning

b)

Verzilting

c)

Versnelde bodemerosie

47.

Verkeerd of teveel irrigeren is een oorzaak van

a)

Verwoestijning

b)

Verzilting

c)

Versnelde bodemerosie

48.

Ontbossing is een oorzaak van

a)

Verwoestijning

b)

Verzilting

c)

Versnelde bodemerosie

49.

Het beeld dat mensen hebben van de risico's die ze lopen als ze in gebieden wonen waar natuurlijke gevaren voorkomen.

a)

Hazard management

b)

Risicoperceptie

c)

Actor

d)

Natuurramp

50.

Een orkaan komt altijd voor in een:

a)

hoge drukgebied

b)

lage drukgebied

51.

In het westen van de VS ligt de San Andreasbreuk.

a)

De platen bewegen convergent, dus er zijn vulkanen

b)

De platen bewegen transform, dus er kunnen alleen maar aardbevingen ontstaan

c)

De platen bewegen convergent, dus er kunnen alleen maar aardbevingen ontstaan

d)

De platen bewegen transform, dus er zijn vulkanen

52.

Hoe ..(1).. het ontwikkelingspeil van een land, hoe beter het hazard management.

Hoe ..(2).. het ontwikkelingspeil van een land, hoe meer slachtoffers na een ramp.

a)

(1) lager (2) lager

b)

(1) lager (2) hoger

c)

(1) hoger (2) lager

d)

(1) hoger (2) hoger