wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

PWW AK MAVO 2

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

In Nederland wonen ....... mensen. Meer dan ....... van deze mensen woont in steden.


Wat moet op de stippellijnen komen te staan?

a)

5 miljoen, 20%

b)

17 miljoen, 80%

c)

15 miljoen, 40%

d)

10 miljoen, 60%

2.

De verdeling van mensen over een land of gebied is ...

a)

de bevolkingsconcentratie

b)

het bevolkingsaantal

c)

de bevolkingsdichtheid

d)

de bevolkingsspreiding

3.

Welke uitspraak over Nederland is waar?

a)

In het westen van Nederland is een grote bevolkingsconcentratie.

b)

De bevolkingsspreiding van Nederland is gelijkmatig.

c)

In Nederland wordt de meeste grond gebruikt voor gebouwen.

d)

In de Randstad is de bevolkingsdichtheid net zo hoog als in het noorden van Nederland.

4.

Wat zijn redenen (2) voor de daling van het geboortecijfer in Nederland?

a)

De kindersterfte is hoog.

b)

De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen, ligt hoog.

c)

Er zijn steeds meer mensen zonder partner in Nederland.

d)

De levensverwachting is hoger.

e)

Er is sprake van vergrijzing.

5.

Nederland heeft een geboorteoverschot, het.....1...... is hoger dan het.......2........

a)

1 sterftecijfer

2 geboortecijfer

b)

1 geboortecijfer

2 sterftecijfer

6.

Wat is een vestigingsreden voor de vrouwen op deze foto?Bekijk de afbeelding en klik het goede antwoord aan.

De foto is gemaakt in Nederland. De vrouwen komen uit Polen.

a)

oorlog

b)

gezinshereniging

c)

armoede

d)

werk

7.

‘In mijn land werd het te gevaarlijk, omdat mijn vader tegen de regering was. ’s Nachts zijn we stiekem de grens overgestoken.’

a)

Vluchteling

b)

Asielzoeker

c)

Migrant voormalig kolonie

d)

Arbeidsmigrant

8.

‘Ik woon sinds 1965 in Nederland, hier was meer werk dan in Italië. Ik heb een Nederlandse vrouw ontmoet en ben hier blijven wonen.’:

a)

Arbeidsmigrant

b)

Vluchteling

c)

Migrant voormalig kolonie

d)

Asielzoeker

9.

‘Mijn vader is opgegroeid in Indonesië. Vorig jaar zijn we daar op vakantie geweest en liet hij zijn oude school zien.’

a)

Vluchteling

b)

Arbeidsmigrant

c)

Migrant voormalig kolonie

d)

Asielzoeker

10.

‘Ik kom uit Syrië, maar vanwege de oorlog kan ik daar niet meer wonen. Ik hoop dat ik in Nederland mag blijven en snel aan het werk mag.’:

a)

Vluchteling

b)

Asielzoeker

c)

Migrant voormalig kolonie

d)

Arbeidsmigrant

11.

Welke zinnen zijn goed? (2)

a)

Iedere immigrant is ook een emigrant.

b)

Immigratie en emigratie spelen pas de laatste tien jaar een grote rol in Nederland.

c)

De meeste gastarbeiders komen uit voormalige Nederlandse koloniën.

d)

Voor veel vluchtelingen is werk een vertrekreden om naar Nederland te komen.

e)

De eerste arbeidsmigranten in Nederland kwamen vooral uit Spanje, Italië, Marokko en Turkije.

12.

Tot welke groep behoort Djoya?


Djoya vertelt: ‘Mijn vader en moeder zijn in Nederland geboren en opgegroeid. Toen ik twee jaar was, kreeg mijn vader werk in Australië. Daar hebben we tien jaar gewoond. Nu woon ik weer in Nederland. Voor Engels sta ik heel goed, maar ik heb bijles nodig voor Nederlands’.

a)

Allochtoon

b)

Autochtoon

13.

Welk land staat niet in de top vijf van herkomst allochtonen in 2012?

a)

Polen

b)

Turkije

c)

Marokko

d)

Duitsland

14.

In de rivier zitten lichte en zwaardere deeltjes. De lichte deeltjes zijn.........

a)

Klei

b)

Zand

15.

Bij een overstroming zakt het zand naar de bodem. Dat gebeurt ............

a)

Dichtbij de rivier.

b)

Ver van de rivier af.

16.

Zand zorgt bij een overstroming voor het ontstaan van

a)

Oeverwallen

b)

Komgronden

17.

Klei zorgt bij een overstroming voor het ontstaan van.......

a)

Oeverwallen

b)

Komgronden

18.

Hoge dijk die vaak op een oeverwal gebouwd is:

a)

Zomerdijk

b)

Oeverwal

c)

Winterdijk

d)

Uiterwaard

19.

Land tussen de rivier en de dijk dat in de winter vaak overstroomt:

a)

Winterdijk

b)

Uiterwaard

c)

Zomerdijk

d)

Komgrond

20.

Kunstmatige heuvel om een droge plek te hebben tijdens een overstroming:

a)

Terp

b)

Oeverwal

c)

Uiterwaard

d)

Strand

21.

Kun je aan het landschap op de afbeelding zien dat er in het verleden een dijkdoorbraak is geweest?

a)

Ja, want in de buurt van de dijk zie je een wiel.

b)

Ja, want in de rivier liggen kribben.

c)

Ja, want de rivier maakt hier een bocht.

d)

Nee, want in de uiterwaard kun je geen terpen zien.

e)

Nee, want er is geen wiel te zien in de buurt van de dijk.

22.

Het land aan de rechterkant van de stippellijn ligt laag en is de uiterwaard:

a)

Juist

b)

Onjuist

23.

Wamel en Dreumel liggen op de oeverwal:

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

De meren ten noordoosten van Wamel kunnen wielen zijn:

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

Het land aan de rechterkant van de stippellijn ligt laag en wordt elk jaar in de winter bij overstromingen opgehoogd met klei:

a)

Juist

b)

Onjuist