wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling klas 3

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Wat is GEEN werkwoordsvorm?

a)

onvoltooid deelwoord

b)

bijvoeglijk gebruikt deelwoord

c)

lijdend voorwerp

d)

persoonsvorm

2.

De docenten hebben .......... (turven) hoeveel leerlingen vandaag geen boek bij zich hadden.

a)

geturfd

b)

geturft

c)

geturvt

d)

getuurfd

3.

De boksers ......... (bestrijden) elkaar gisteren alsof ze ..........(vechten) voor hun leven.

a)

bestreede, vochten

b)

bestreden, vochten

c)

bestreden, vechtten

d)

bestrijdden, vochten

4.

Heeft deze zeiler altijd een ........... (zwerven) bestaan geleid?

a)

zworvend

b)

gezworven

c)

zwervend

d)

gezwervend

5.

De leerlingen ......... (bekladden) vorig jaar de muur met graffiti.

a)

bekladen

b)

bekladde

c)

bekladden

d)

beklad

6.

Bij sterke werkwoorden gebruik je de regel van 't ex-kofschip in de verleden tijd.

a)

waar

b)

niet waar

7.

Bij een persoonsvorm in de tegenwoordige tijd schrijf je bij 'hij' stam + t.

a)

waar

b)

niet waar

8.

Een onvoltooid deelwoord schrijf je door achter het infinitief een 't' te plaatsen.

a)

waar

b)

niet waar

9.

De veehouder ........ (melden t.t.) een ........... (toenemen v.d.) tekort aan opslagruimte voor de mest.

a)

meldde, toegenomen

b)

meld, toenemend

c)

meldt, toegenomen

d)

meldt, toenemend

10.

De ........... (stranden) olietanker ............. (bevinden) ......zich bij de kust van Texel.

a)

gestrande, bevindt

b)

gestrandde, bevindt

c)

gestrande, bevind

d)

gestrandde, bevind

11.

Hij .......... (vermoeden) dat het niet ............. (worden) ...........(vergoeden)

a)

vermoed, wordt, vergoet

b)

vermoedt, word, vergoed

c)

vermoed, word, vergoed

d)

vermoedt, wordt, vergoed

12.

Vorig jaar .............. (juichen) het publiek de spelers toe.

a)

juichde

b)

juichte

c)

juichten

d)

juichden

13.

Ik ........... (promoten) paintballen al jaren.

a)

promoot

b)

promot

c)

promote

14.

Hij ......... (faxen) me gisteren een brief.

a)

faxde

b)

faxete

c)

faxte

d)

faxt

15.

De nieuw .......... (inrichten) kamer maakt een gezellige indruk.

a)

ingerichtte

b)

ingerichte

c)

ingerichten

d)

geinrichte

16.

Als je die brieven ........... (verbranden), zijn alle bewijzen verdwenen.

a)

verbrand

b)

verbrandt

c)

verbrandde

17.

Als je voor me uit ...........(rijden), volg ik je.

a)

reid

b)

reidt

c)

rijd

d)

rijdt

18.

Wat jammer dat je die mooie tekening zo ........... (bekrassen).

a)

bekrast

b)

bekraste

c)

bekrasd

d)

bekrasde