wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Economie pincode 7e editie hoofdstuk 1

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent het begrip "schaars"

a)

Er is niet genoeg voedsel om iedereen van voedsel te voorzien.

b)

Als je bij de bakker een brood koopt, is het brood op.

c)

Er moeten productiemiddelen gebruikt worden om goederen en diensten te produceren

d)

Er is voldoende rijkdom, maar het is erg scheef verdeeld.

2.

Welke lijn geeft de meest scheve inkomens verdeling weer

a)

de diagonale lijn

b)

A

c)

B

d)

C

3.

Wat betekent het begrip "koopkracht'?

a)

De hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen.

b)

De hoeveelheid geld dat je elke maand op je spaarrekening kunt zetten

c)

De mate waarin je in je behoefte kunt voorzien

d)

Je koopkracht zegt iets over de sterkte van je geld

4.

Hoe reken je de reële inkomensverandering uit?

a)

Nominale verandering in % + Inflatie in %

b)

Nominale verandering in % / Inflatie in %

c)

Nominale verandering in % * Inflatie in %

d)

Nominale verandering in % - inflatie in %

5.

Wat is de reden dat deze spiraal kan ontstaan

a)

Evolutie

b)

We hebben steeds meer eisen.

c)

Prijsstijgingen

d)

Er is steeds meer te koop

6.

Waarom verhoogt de ECB haar rente%

a)

Mensen gaan meer sparen en is er minder vraag naar goederen en diensten en dus daalt de prijs

b)

Mensen gaan meer sparen en er is meer vraag naar goederen en diensten waardoor de prijzen dalen

c)

Mensen gaan meer lenen en er is meer vraag naar goederen en diensten en dus stijgen de prijzen

d)

Mensen gaan meer lenen en er is minder vraag naar goederen en diensten en dus dalen de prijzen

7.

Een indexcijfer reken je zo uit

a)

Nieuw getal - oud getal / oud getal x 100

b)

Nieuw getal : oud getal x 100

c)

Nieuw getal X oud getal - nieuw getal x 100

d)

Nieuw getal - oud getal x 100

8.

Het consumenten prijs index cijfer laat zien:

a)

De ontwikkeling in het aantal consumenten dat goederen en diensten koopt

b)

De ontwikkeling in het aantal goederen en diensten dat er te koop is

c)

De ontwikkeling in de bestedingen van consumenten

d)

De ontwikkeling in consumentenprijzen

9.

Welke van deze goederen en/of diensten is NIET schaars?

a)

economieles

b)

zonlicht

c)

scooter

d)

brood

e)

kraanwater

10.

Als je loon met 2,5% stijgt en de inflatie is 1,5%. Wat is dan de verandering van je koopkracht in procenten?

a)

+1%

b)

+4%

c)

-1%

d)

-4%

11.

Je bent een ____ als je goederen en diensten koopt om in je behoeften te voorzien.

a)

producten

b)

consument

c)

producent

d)

fabrikant

12.

Welke van de onderstaande behoeften rekenen we tot de secundaire behoeften?

a)

eten

b)

kleding

c)

huis

d)

televisie

13.

Welke marketing instrumenten kun je hier vinden

a)

telemarketingbeleid

b)

prijsbeleid

c)

presentatiebeleid

d)

voorkeursbeleid

14.

wat hoort bij inkomen uit bezit?

a)

rente op je geld

b)

verhuuropbrengst van je huis

c)

loon

d)

pacht voor verhuur van grond

15.

welke behoort NIET bij overdrachtsinkomen

a)

zak- en kleedgeld

b)

winst

c)

inkomenstoeslagen

d)

kinderbijslag

e)

uitkering zoals WW