wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

GWP Staatsinrichting

Total questions: 57

Worksheet time: 57mins

Name
Class
Date
1.

De grondwet van 1848 is geschreven door een?

a)

Feminist

b)

Confessioneel

c)

Liberaal

d)

Socialist

2.

Er moet financiële gelijkstelling komen van het bijzonder onderwijs en het openbaar onderwijs.

a)

Feminist

b)

Liberaal

c)

Socialist

d)

Confessioneel

3.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vond er een rechtszaak plaats tegen een communist. De rechter zei op een bepaald moment:

“IK bepaal welke wet hier geldt. IK maak hier de wet.” Speelt deze rechtszaak zich af binnen een dictatuur of binnen een rechtsstaat? En is er sprake van scheiding van de machten of niet? De rechtszaak speelt zich af A binnen een dictatuur, want

a)

binnen een dictatuur, want er is geen scheiding van de machten.

b)

binnen een dictatuur, want er is wel scheiding van de machten.

c)

binnen een rechtsstaat, want er is geen scheiding van de machten.

d)

binnen een rechtsstaat, want er is wel scheiding van de machten.

4.

Door gasboringen komen in de provincie Groningen aardbevingen voor. Schade aan huizen en boerderijen is hiervan het gevolg. Mensen in het gebied van de gasboringen voelen zich onveilig.

Zij vinden dat de overheid zich niet heeft gehouden aan een grondrecht. Welk grondrecht wordt bedoeld?

a)

het recht op bestaanszekerheid

b)

het recht op bewoonbaarheid van het land

c)

het recht op rechtsbijstand

d)

het recht op vrijheid van meningsuiting

5.

De liberale grondwetsherziening werd ingevoerd in

a)

1848

b)

1850

c)

1852

d)

1854

6.

De regering bestaat uit de koning en de ministers. In de nieuwe Grondwet van 1848 staat dat de koning …(1)…is en dat de ministers …(2)… zijn.

a)

(1) Verantwoordelijk (2) Uitvoerend

b)

(1) Wetgevend (2) Controlerend

c)

(1) Onschendbaar (2) Verantwoordelijk

d)

(1) Verantwoordelijk (2) Onschendbaar

7.

Waaruit blijkt dat Nederland een rechtsstaat is?

a)

De rechten van de burgers worden bepaald door het staatshoofd.

b)

De rechten van de burgers zijn vastgelegd in wetten.

c)

De regering heeft geen invloed op de wetgevende macht.

d)

De regering heeft invloed op uitspraken van de rechters.

8.

De Provinciale Staten kiezen voortaan de leden van de Eerste Kamer.

a)

1848

b)

1917

c)

1941

d)

1983

9.

Vrijheid van godsdienst wordt ingevoerd.

a)

1848

b)

1917

c)

1941

d)

1983

10.

Willem II heeft politieke onschendbaarheid gekregen.

a)

1848

b)

1917

c)

1941

d)

1983

11.

Het onderzoek van 1886-1887 naar arbeidsomstandigheden maakte duidelijk welk groot maatschappelijk probleem er bestond. Dit probleem moest worden opgelost.

a)

Kiesrecht

b)

Luxemburgse kwestie

c)

Sociale kwestie

d)

Caoutchouc-artikel

12.

Rond 1900 waren protestanten en rooms-katholieken in Nederland het vaak met elkaar oneens. Toch gingen beide stromingen op politiek gebied steeds meer met elkaar samenwerken.

Noem één politiek doel dat beide stromingen met de samenwerking wilden bereiken.

a)

Sociale kwestie

b)

Schoolstrijd

c)

aanpak van de Kleine Luyden

d)

Algemeen mannenkiesrecht

13.

Bij welke politieke stroming hoort dhr. H. Schaepman

a)

Confessionelen

b)

Feministen

c)

Socialisten

14.

Bij welke politieke stroming hoort dhr. Troelstra

a)

Confessionelen

b)

Feministen

c)

Socialisten

15.

Bij welke politieke stroming hoort mvr. W. Drucker

a)

Confessionelen

b)

Socialisten

c)

Feministen

16.

De kleine luyden passen het best bij:

a)

De Katholieken

b)

De Socialisten

c)

De Anti-revolutionairen

d)

De Liberalen

17.

Het Vechtdal College is:

a)

Een openbare school

b)

Een bijzondere school

c)

Een speciale school

18.

Door de komst van het Caoutchouc-artikel mochten er minder mensen stemmen dan bij het censuskiesrecht

a)

Juist

b)

Onjuist

19.

Koning Willem II was een uitgesproken liberaal

a)

Juist

b)

Onjuist

20.

De Tweede en Eerste Kamer hebben allebei wetgevende bevoegdheden

a)

Juist

b)

Onjuist

21.

Doordat de Eerste Kamer geen wetgevende bevoegdheden heeft kan je zeggen dat de Tweede Kamer belangrijker is

a)

Juist

b)

Onjuist

22.

Afbeelding uit 1900 - Op het bord staat: Christelijk luilekkerland


Op de tekening staan twee politieke leiders afgebeeld. Welke titel past bij de tekening?

a)

Kuyper en Schaepman werken samen om confessionele doelen te bereiken.

b)

Kuyper en Thorbecke werken samen om confessionele doelen te bereiken.

c)

Schaepman probeert Kuyper tegen te werken omdat zijn politiek te christelijk is.

d)

Schaepman probeert Thorbecke tegen te werken omdat zijn politiek te christelijk is.

23.

Door de Luxemburgse kwestie veranderde rond 1867 de politieke verhouding tussen het kabinet en het parlement. Bij deze verandering waren de volgende stappen belangrijk:

1 Alle leden van het kabinet dienden hun ontslag in.

2 Het kabinet kreeg een conflict met de Tweede Kamer over de aanpak van de Luxemburgse kwestie.

3 De Tweede Kamer keurde de begroting van het kabinet af.

a)

L. kwestie → 2 → 1 → 3 → nieuwe verhouding

b)

L. kwestie → 2 → 3 → 1 → nieuwe verhouding

c)

L. kwestie → 3 → 1 → 2 → nieuwe verhouding

d)

L. kwestie → 3 → 2 → 1 → nieuwe verhouding

24.

In 1865 brak bij koeien in Nederland de veepest uit. Deze ziekte is besmettelijk én dodelijk voor koeien. Minister Thorbecke zei toen dat de bestrijding van de veepest door de boeren zelf geregeld moest worden en niet door de regering. Deze uitspraak van Thorbecke past bij een uitgangspunt van een politieke stroming in de negentiende eeuw.

a)

Liberalen

b)

Socialisten

c)

Confessionelen

d)

Conservatieven

25.

Bestudeer de bron over het percentage mannelijke kiezers in Nederland. Over welk soort kiesrecht gaat de bron? Beschrijf ook wat je in deze bron ziet.

a)

Censuskiesrecht

b)

Caoutchouc artikel

c)

Algemeen mannenkiesrecht

d)

Algemeen kiesrecht

26.
a)

De koning beroept zich op zijn uitvoerende bevoegdheid.

b)

De koning wijst de minister op de ministeriële verantwoordelijkheid.

c)

De minister wijst de koning op zijn onschendbaarheid.

d)

De minister beroept zich op zijn wetgevende bevoegdheden.

27.

In 1848 kwam er vrijheid van onderwijs. Welke twee groepen in de samenleving stichtten hierna hun eigen, bijzondere scholen? Noteer de letters van de twee juiste antwoorden.

a)

liberalen

b)

protestanten

c)

rooms-katholieken

d)

socialisten

28.

Lees de vijf uitspraken over de Luxemburgse kwestie.

Noteer de letters van de twee juiste uitspraken.

De Luxemburgse kwestie had:

a)

als aanleiding de benoeming van Willem III tot staatshoofd van Luxemburg.

b)

als oorzaak de opkomst van het confessionalisme.

c)

als oorzaak de machtsverhouding tussen Frankrijk en Duitsland.

d)

als gevolg dat het parlementair stelsel van 1848 werd bekrachtigd.

e)

als gevolg dat de macht van koning Willem III toenam.

29.

In dit jaar werd het censuskiesrecht afgeschaft

a)

1885

b)

1886

c)

1887

d)

1888

30.

Welke uitspraken zijn juist

a)

Dankzij het Caoutchouc-artikel kon het kiesrecht geleidelijk worden uitgebreid.

b)

Het Caoutchouc-artikel gold voor zowel mannen als vrouwen.

c)

In 1887 kwam er een einde aan het censuskiesrecht.

d)

Vanaf 1887 mochten enkel mensen met een goede afkomst stemmen.

31.

Abraham Kuyper richtte de volgende partij op:

a)

ARP

b)

RKSP

c)

Liberale Unie

d)

SDAP

32.

Caoutchouc is Frans voor...

a)

Rubber

b)

Confessioneel

c)

Kiesrecht

d)

Liberalen

33.

De 'Roode' en 'Zwarte' overheersing staat voor:

a)

De liberalen en de socialisten

b)

De confessionelen en de liberalen

c)

De socialisten en de confessionelen

d)

De confessionelen en de feministen

34.

Hieronder staan 5 zinnen over Willem III die zijn macht probeerde terug te pakken. Welke zijn juist

a)

Willem III benoemt een kabinet dat in de Tweede Kamer geen steun van de meerderheid heeft

b)

Als het parlement tegen een wetsvoorstel stem, laat Willem III nieuwe verkiezingen houden

c)

Willen III geeft opdracht een nieuwe grondwet te maken die hem meer macht geeft

d)

Als bevelhebber van het leger dreigt Willem III soldaten in te zetten om zijn zin te krijgen

e)

Willem III roept kiezers op om vooral niet op liberale kandidaten te stemmen

35.

Kiesrecht afhankelijk van het betaalde bedrag aan belastingen

a)

Censuskiesrecht

b)

Caoutchouc-artikel

36.

Waarom noemden de (streng) protestants christenen zichzelf 'antirevolutionairen'?

a)

Ze waren het niet eens met de Luxemburgse kwestie

b)

Ze waren het niet eens met de schoolstrijd

c)

Ze waren het niet eens met de liberale, niet christelijke ideeen.

d)

Ze wilden kerk en staat gescheiden houden zoals in 1848 is besloten

37.

Het plaatje van Enschede uit 1850 past het beste bij de volgende begrippen

a)

Sociale kwestie

b)

Verstedelijking

c)

Modern imperialisme

d)

Industrialisatie

38.

Wat is geen reden voor modern-imperialisme

a)

Een nieuwe grote afzetmarkt

b)

Nieuwe grondstoffen

c)

Liefdadigheid

d)

Economisch gewin

39.

De katholieken en protestanten zijn vanouds aartsrivalen. Noem een reden waarom zij gingen samenwerken

a)

Algemeen kiesrecht

b)

Schoolstrijd

c)

Strijd tegen het censuskiesrecht

d)

De conservatieven meer liberaliseren

40.

De overheid dient zo min mogelijk te bemoeien met het privéleven van de burgers

a)

Socialisten

b)

Liberalen

c)

Confessionelen

d)

Conservatieven

41.

''Laten we zo min mogelijk veranderen of het zelfs terug draaien naar hoe het vroeger was''

a)

Confessionelen

b)

Liberalen

c)

Socialisten

d)

Conservatieven

42.

Het verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs in de 19e eeuw is dat...

a)

Openbaar onderwijs wel werd gefinancierd door de overheid

b)

Bijzonder onderwijs wel werd gefinancierd door de overheid

43.

Bij welke klassieke grondrechten past het oprichten van een politieke partij zoals de Rooms-Katholieke Staatspartij

a)

Vrijheid van meningsuiting

b)

Vrijheid van onderwijs

c)

Vrijheid van godsdienst

d)

Vrijheid van vereniging en vergadering

44.

De ARP en RKSP passen niet goed bij

a)

Kerk en staat gescheiden

b)

Vrijheid van meningsuiting

c)

Vrijheid van vereniging

d)

Het algemeen kiesrecht

45.

Wie zien hier

a)

Abraham Kuyper

b)

Pieter Jelle Troelstra

c)

Herman Schaepman

d)

Johan Rudolp Thorbecke

46.

Wie zien hier

a)

Abraham Kuyper

b)

Pieter Jelle Troelstra

c)

Herman Schaepman

d)

Johan Rudolp Thorbecke

47.

Wie zien hier

a)

Abraham Kuyper

b)

Pieter Jelle Troelstra

c)

Herman Schaepman

d)

Johan Rudolp Thorbecke

48.

Welke partij werd als eerst opgericht

a)

SDAP

b)

ARP

c)

Liberale Unie

49.

Welke van de onderstaande partijen is socialistisch

a)

SDAP

b)

ARP

c)

Liberale Unie

d)

RKVP

50.

Een voorbeelden van sociale wetgeving

a)

Kinderwetje van Van Houten

b)

Woningwet

c)

Ongevallenwet

d)

Vereniging voor Vrouwenkiesrecht

51.

Dit zijn twee belangrijke Nederlandse feministen van de Eerste Feministische golf

a)

Wilhemina Drucker

b)

Aletta Jacobs

c)

Dolle Mina

d)

Selma Leydesdorff

52.

De invoering van het algemeen kiesrecht vond plaats in

a)

1917

b)

1913

c)

1919

d)

1925

53.

De invoering van algemeen mannenkiesrecht vond plaats in

a)

1919

b)

1917

c)

1913

d)

1925

54.

De Eerste Feministische golf vond plaats rond

a)

1850

b)

1880

c)

1900

d)

1920

55.

Waar mochten kinderen nog wel werken na de invoering van het Kinderwetje?

a)

In de fabriek

b)

In huis

c)

op werkplaatsen

d)

op het platteland

56.

De eerste sociale wet was...

a)

De Armenwet

b)

Het Kinderwetje van Van Houten

c)

De Ongevallenwet

d)

De Woningwet

57.

Het plaatje past het beste bij de volgende politieke stroming

a)

Liberalisme

b)

Socialisme

c)

Confessionelen

d)

Conservatieven

e)

Feminsten