wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

herhaling fysica en chemie oktober

Total questions: 30

Worksheet time: 3hrs 30mins

Name
Class
Date
1.

Welke lijn geeft de beweging weer van een voorwerp dat beweegt met een constante, positieve versnelling?

a)

lijn A

b)

lijn B

c)

lijn C

d)

lijn D

e)

lijn E

2.

Welke lijn in de grafiek hoort bij een EVRB met een positieve beginsnelheid en een negatieve versnelling?

a)

lijn 1

b)

lijn 2

c)

lijn 3

3.

De grafiek hiernaast toont de snelheid als functie van de tijd bij twee verschillende auto’s.

Wanneer hebben die twee auto's dezelfde afstand afgelegd?

a)

2 s

b)

3 s

c)

4 s

d)

6 s

4.

Men laat een voorwerp met massa m vallen van een bepaalde hoogte x en men meet de bijhorende tijd t. Men herhaalt nu dit experiment voor verschillende hoogten.Welke grafiek geeft het verloop van de tijd als functie van de hoogte weer?

a)

grafiek A

b)

grafiek B

c)

grafiek C

d)

grafiek D

5.

Een auto rijdt de eerste helft van een rit met een constante snelheid v1. Daarna rijdt hij de

andere helft verder met een constante snelheid v2. Hoeveel bedraagt zijn gemiddelde snelheid?

a)

b)

c)

d)

6.

(toelatingsexamen arts 2023) Een auto en een bestelwagen bevinden zich in rust op eenzelfde rechte weg. De voertuigen vertrekken op hetzelfde ogenblik in dezelfde zin. Bij vertrek bevindt de auto zich 50 m achter de vrachtwagen. De auto heeft een constante versnellling van 2,0 m/s2. De bestelwagen heeft een constante versnelling van 1,0 m/s2

De afstand tussen de auto en de bestelwagen is gelijk aan 150 m na

a)

10 s

b)

12 s

c)

15 s

d)

20 s

7.

(toelatingsexamen tandarts 2023) Een voorwerp beweegt met een constante versnellilng op een rechte baan. De positie x van dat voorwerp als functie van de tijd t wordt gegeven in de figuur. De snelheid van dat voorwerp op tijdstip t = 0 s bedraagt:

a)

0 m/s

b)

10 m/s

c)

20 m/s

d)

30 m/s

8.

(toelatingsproef diergeneeskunde 2023) Ann rijdt met de wagen van A naar C. In de helft van dit traject ligt punt B. Tijdens de rit van A naar B is haar gemiddelde snelheid 50 km/h. Haar gemiddelde snelheid over het hele traject van A naar C is 60 km/h. De gemiddelde snelheid van Ann tijdens de rit van B naar C is gelijk aan

a)

60 km/h

b)

70 km/h

c)

75 km/h

d)

80 km/h

9.

Kleine David duwt tegen grote Goliath. Dan is de kracht die Goliath op David uitoefent

a)

groter dan de kracht van David op Goliath.

b)

kleiner dan de kracht van David op Goliath.

c)

even groot als de kracht van David op Goliath.

10.

Een appel ligt op een stoel. De reactiekracht van de zwaartekracht op de appel werkt in op

a)

de appel

b)

de stoel

c)

de vloer

d)

de aarde

11.

Als twee voorwerpen met een verschillende massa eenzelfde versnelling ondergaan, dan zal

a)

op het voorwerp met de kleinste massa de grootste kracht werken.

b)


op het voorwerp met de kleinste massa de kleinste kracht werken.

c)

Op beide voorwerpen dezelfde kracht werken.

d)

De grootte van de kracht afhangen van de beginsnelheid.

12.

Een lichte (A) en zwaar geladen (B) vrachtwagen botsen tegen elkaar. Welke uitspraak over de botsing is correct?

a)

Vrachtwagen B zet een grotere kracht op vrachtwagen A dan vrachtwagen A op vrachtwagen B omdat vrachtwagen B een grotere snelheid én een grotere massa heeft.

b)

Vrachtwagen B zet een grotere kracht op vrachtwagen A dan vrachtwagen A op vrachtwagen B omdat vrachtwagen B een grotere massa heeft.

c)

Vrachtwagen B zet een grotere kracht op vrachtwagen A dan vrachtwagen A op vrachtwagen B omdat vrachtwagen B een grotere snelheid heeft.

d)

Beide vrachtwagens oefenen op elkaar een even grote kracht uit.

13.

Op vier karretjes liggen identieke blokken. Op de karretjes werken horizontale krachten. Welk antwoord rangschikte karretjes volgens toenemende versnelling? De massa van de karretjes mag je verwaarlozen.

a)

D < A < B < C

b)

B = C < D < A

c)

D < A = C > B

d)

D > A < C < B

14.

Wat is de versnelling van het wagentje?

a)

2/3 g

b)

5/6 g

c)

1/6 g

d)

1/5 g

15.

Twee duikers duiken horizontaal van een platform. De horizontale beginsnelheid van de eerste duiker A is dubbel zo groot als die van duiker B. Ze bereiken het water in een tijd tA en tB. Wat is de verhouding van deze tijden?

a)
  • tA = 2 tB

b)
  • tA = √2 tB

c)
  • tA =  tB

d)
  • tA = ½ tB

16.

(ijkingsproef diergeneeskunde 2020) Twee speelgoedwagentjes, aangedreven door een motortje, bevinden zich op een tafel. Ze worden tegelijk losgelaten van op een verschillende plaats. Ze bewegen elk met een constante versnelling en ze bereiken terzelfder tijd het rechteruiteinde van de tafel. Welke uitspraak over de gemiddelde snelheid en de versnelling is correct?

a)
  • De gemiddelde snelheid van A is gelijk aan die van B en de versnelling van A is groter dan die van B.

b)
  • De gemiddelde snelheid van A is groter dan van B en de versnelling van A is kleiner dan die van B.

c)
  • De gemiddelde snelheid van A is groter dan van B en de versnelling van A is groter dan die van B.

d)
  • De gemiddelde snelheid van A is kleiner als van B en de versnelling van A is gelijk aan die van B.

17.

Wat is de afgelegde weg van deze beweging?

a)

22 m

b)

44 m

c)

66 m

d)

88 m

18.

Bij een dragrace legt een wagen vanuit rust en volgens een EVRB een afstand van 200 m af in 4,82 s. Welke OGENBLIKKELIJKE snelheid heeft hij op de positie van 200 m?

a)

41,5 m/s

b)

83,0 m/s

c)

93,0 m/s

d)

62,0 m/s

19.

Onderstaande x(t)-grafiek stelt de beweging voor van een auto die vanuit rust eenparig

versnelt op een rechte baan. Hoelang moet de auto rijden opdat zijn gemiddelde snelheid

gelijk zou zijn aan 15 m/s?

a)

3 s

b)

5 s

c)

6 s

d)

10 s

20.

Tinne en Sander houden een dragrace over een afstand van 305 meter. Tinne start bij het startsignaal. Sander is wat verstrooid en vertrekt 500 ms later dan Tinne. Beiden rijden de afstand met een constante versnelling, maar die is wel voor elk verschillend. Sander bereikt de finish 3,8 seconden na het startsignaal. Tinne eindigt met een topsnelheid van 566 km/h. Bepaal de versnellingen van Tinne en Sander.

a)

ar = as = 40,5 ms2a_{r\ }=\ a_{s\ }=\ 40,5\ \frac{m}{s^2}

b)

ar = as = 41,3 ms2a_{r\ }=\ a_{s\ }=\ 41,3\ \frac{m}{s^2}

c)

ar =41,3 ms2 as = 47,6 ms2a_{r\ }=41,3\ \frac{m}{s^2}\ a_{s\ }=\ 47,6\ \frac{m}{s^2}

d)

ar =40,5 ms2 as = 56,0 ms2a_{r\ }=40,5\ \frac{m}{s^2}\ a_{s\ }=\ 56,0\ \frac{m}{s^2}

21.

Een tablet aspirine bevat 200 mg acetylsalisylzuur (C9H8O4).
Hoeveel moleculen van dit zuur zitten in 1 tablet?

a)

180

b)

6,68 . 10206,68\ .\ 10^{20}

c)

5,42 . 10255,42\ .\ 10^{25}

d)

6,02 . 10236,02\ .\ 10^{23}

22.

Wat is het volume van 3,00 g butaan (C4H10) bij een temperatuur van 25,0 °C en een druk van 1 030 hPa?

a)

1,24 liter

b)

1,24 m31,24\ m^3

c)

12,4 liter

d)

12,4 m312,4\ m^3

23.

Zuiver goud is een te zacht metaal om sieraden mee te maken. Daarom gebruikt men vaak een legering van goud en koper. Het goudgehalte wordt dan weergegeven in karaat.

Eén karaat goud betekent dat de massa goud 1/24 bedraagt van de totale massa. Zuiver goud is dus 24 karaat.

Een ring met een massa van 3,60 g is vervaardigd uit 18,0 karaat goud. Naast goud bevat de legering uitsluitend koper.

Hoeveel mmol goud en hoeveel mmol koper bevat de ring?

a)

13,7 mmol Au en 4,57 mmol Cu

b)

13,7 mmol Au en 14,2 mmol Cu

c)

4,57 mmol Au en 42,5 mmol Cu

d)

4,57 mmol Au en 13,7 mmol Cu

24.

Cafeïne, een opwekkend middel dat in koffie, thee, chocolade en sommige medicijnen zit, bevat 49,48 m% koolstof, 5,19 m% waterstof, 28,85 m% stikstof. Het resterend massapercentage is van het vierde element zuurstof. Cafeïne heeft een molaire massa van 194,2 g mol-1.

Wat is de brutoformule van cafeïne?

a)

C8H10N4O2C_8H_{10}N_4O_2

b)

C4H5N2OC_4H_5N_2O

c)

C9H10N4OC_9H_{10}N_4O

d)

C8H12N4O2C_8H_{12}N_4O_2

25.

Een laborant wil een waterige zwavelzuuroplossing maken met c = 0,20 mol L-1.

Hoe moet hij deze oplossing maken?

a)

10 mL H2SO4H_2SO_4 -oplossing met c = 2,0 mol L-1 toevoegen aan 100 mL water.

b)

5,0 mL H2SO4H_2SO_4 -oplossing met c = 1,0 mol L-1 toevoegen aan 50 mL water

c)

Aan 75 mL H2SO4H_2SO_4 -oplossing met c = 0,40 mol L-1 water toevoegen tot een volume van 150 mL.

d)

Aan 25 mL H2SO4H_2SO_4 -oplossing met c = 0,80 mol L-1) water toevoegen tot een volume van 200 mL.

26.

Naast hydrazine wordt vaak ook een mengsel van ammoniumperchloraat en aluminiumpoeder gebruikt als raketbrandstof. De reactie die bij de ontsteking plaatsvindt is

6NH4ClO4(s)+10 Al(s) 5Al2O3(s)+3N2(g)+6HCl(g)+9H2O(g) 6NH_4ClO_4(s)+10\ Al(s)→\ 5Al_2O_3(s)+3N_2(g)+6HCl(g)+9H_2O(g)\

Als er bij de lancering 1,5 . 104 kg1,5\ .\ 10^4\ kg ammoniumperchloraat wordt omgezet, hoeveel mol gas wordt er dan gevormd?

a)

4,5 . 1044,5\ .\ 10^4

b)

1,3 . 1051,3\ .\ 10^5

c)

3,8 . 1053,8\ .\ 10^5

d)

7,7 . 1057,7\ .\ 10^5

27.

Om alle chloride-ionen uit 1,00 L rivierwater neer te slaan door vorming van AgCl (s) is er 10,0 mL AgNO3AgNO_3 -oplossing ( c = 1,0 . 102 molLc\ =\ 1,0\ .\ 10^{-2}\ \frac{mol}{L} ) nodig.

Wat is de concentratie van de chloride-ionen in rivierwater uitgedrukt in ppm (mg/L)?

a)

1,0 ppm

b)

2,6 ppm

c)

3,5 ppm

d)

4,9 ppm

28.

0,422 g van een enkelvoudige stof Z reageert met zuurstofgas tot vorming van 0,797 g van het oxide Z2O3Z_2O_3 . Wat is de enkelvoudige stof Z? (uit toelatingsexamen Diergeneeskunde 2024)

a)

Al

b)

Sc

c)

Cr

d)

Ga

29.

De volgende drie oplossingen worden samengevoegd:

1) 100 mL 0,15 mol L-1 aluminiumnitraatoplossing;

2) 100 mL 0,25 mol L-1 lood(II)nitraatoplossing;

3) 50 mL 0,10 mol L-1 natriumnitraatoplossing;

Wat is de molaire concentratie van de nitraationen in de bekomen oplossing?
(toelatingsexamen arts, 2022)

a)

0,50 mol . L10,50\ mol\ .\ L^{-1}

b)

0,40 mol . L10,40\ mol\ .\ L^{-1}

c)

0,25 mol . L10,25\ mol\ .\ L^{-1}

d)

0,20 mol . L10,20\ mol\ .\ L^{-1}

30.

Welk volume van een 6,0 mol . L1 H2SO4 6,0\ mol\ .\ L^{-1}\ H_2SO_4\ -oplossing moet gemengd worden met 10 L van een 1,0 mol . L1  H2SO41,0\ mol\ .\ L^{-1\ }\ H_2SO_4 -oplossing, om daarna, door verdunning met water, 20 L van een 3,0 mol . L1 H2SO43,0\ mol\ .\ L^{-1}\ H_2SO_4 -oplossing te bekomen?
(toelatingsexamen arts 2024)

a)

10 L

b)

8,3 L

c)

5,0 L

d)

1,7 L