wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lezen 2KBL herhalen alinea's tussenkopjes etc.

Total questions: 31

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je het...

a)

alinea

b)

onderwerp

c)

hoofdgedachte

d)

tussenkopje

2.
Wat is een alinea?
a)
een tussenkopje
b)
een inleiding
c)
een stukje tekst dat bij elkaar hoort
d)
een titel
3.
Het tekstdoel amuseren betekent dat de schrijver...
a)
... de lezer wil overhalen iets te doen.
b)
...de lezer informatie wil geven.
c)
...de lezer wil vermaken door iets boeiends, ontroerends of bijzonders te vertellen.
d)
...de lezer wil overtuigen van zijn mening.
4.

Wat is meestal het doel van de auteur van een nieuwsbericht?

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

instrueren

d)

adviseren

5.

Het tekstdoel van een reclametekst is...

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

activeren

d)

amuseren

6.

Het tekstdoel van een recept is...

a)

informeren

b)

amuseren

c)

adviseren

d)

leren

7.

Het tekstdoel van een folder/flyer is...

a)

amuseren

b)

overtuigen

c)

activeren/ tot handelen aansporen

d)

leren

8.
Welk tekstdoel heeft een strip?
a)
informeren
b)
tot handelen aanzetten
c)
waarschuwen
d)
amuseren
9.
Welk tekstdoel heeft een reactie (bijvoorbeeld op een weblog)?
a)
amuseren
b)
informeren
c)
overtuigen
d)
instrueren
10.
Welk tekstdoel heeft een advertentie?
a)
tot handelen aanzetten
b)
overtuigen
c)
amuseren
d)
informeren
11.
Welk tekstdoel heeft een (nieuws)artikel?
a)
informeren
b)
adviseren
c)
waarschuwen
d)
tot handelen aanzetten
12.
Welke tekstsoort is het boek Mathilda van Roald Dahl?
a)
Een informatieve tekst
b)
Een betogende tekst
c)
Een aansporende of activerende tekst.
d)
Een amuserende tekst
13.
Welke combinatie is niet goed?
a)
informatieve tekst: nieuwsbericht
b)
amuserende tekst: roman
c)
betogende tekst: advertentie
d)
activerende tekst: uitnodiging
14.

Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je een

a)

alinea

b)

onderwerp

c)

hoofdgedachte

d)

tussenkopje

15.

Je kunt met één of met een paar woorden zeggen wat het onderwerp is

a)

goed

b)

fout

16.
De belangrijkste zin van de alinea heet een kernzin. Waar vind je die meestal?
a)
Dit is vaak de eerste zin.
b)
Dit is vaak de tweede zin.
c)
Dit is vaak de laatste zin.
d)
Dit is vaak de 1e of de laatste zin.
17.

Als je verkennend leest dan ...

a)

lees je alsof je voor een toets leert.

b)

bekijk je de tekst en lees die niet echt.

c)

heb je een vraag en wil je snel het antwoord weten.

18.

Hoeveel manieren heb je om een tekst te lezen?

a)

3 namelijk: zoekend, lerend en verkennend lezen

b)

4 namelijk: zoekend, nauwkeurig, begrijpend en verkennend lezen

c)

4 namelijk: zoekend, nauwkeurig, studerend en verkennend lezen

d)

3 namelijk zoekend, nauwkeurig en verkennend lezen

19.

Veel teksten bestaan uit een:

a)

inleiding, kern en slot

b)

begin, hoofdzaak en bijzaken

c)

begin en eind

d)

inleiding, onderwerp en alinea's

20.

Rood, wit en blauw zijn de kleuren van de Nederlandse vlag.


Is dit een feit of een mening?

a)

mening

b)

feit

21.
Wat is een synoniem
a)
Een synoniem is een ander woord met dezelfde betekenis.
b)
een woord die je fonetisch schrijft
c)
1 woord met 2 verschillende betekenissen
22.
Een onbekend woord in een tekst kun je soms begrijpen doordat er een omschrijving van het woord bij staat.
a)
waar
b)
niet waar
23.

Je hoeft dan niet de hele tekst te lezen, maar alleen het stukje tekst dat je nodig hebt. Dan lees je...

a)

globaal lezen

b)

precies lezen

c)

zoekend lezen

24.
. Dokter en arts zijn
a)
homoniemen
b)
synoniemen
25.

Wat doe je als je de tekst globaal leest?

a)

Je leest de hele tekst

b)

Je leest vooral de eerste en laatste zinnen van alle alinea's

26.

Welk tekstdeel is het grootst?

a)

Inleiding

b)

Middenstuk

c)

Slot

27.

Wanneer lees je zoekend?

a)

Als je een samenvatting maakt

b)

Als je iets snel wilt opzoeken

28.

Welk tekstdoel hoort bij een studieboek?

a)

Amuseren

b)

Leren

c)

Overtuigen

d)

Activeren

29.

Welk tekstdoel hoort bij een reclamefolder?

a)

Amuseren

b)

Informeren

c)

Overtuigen

d)

Activeren

30.

Welk doel heeft een illustratie als de schrijver voor een opvallende afbeelding bij de tekst kiest?

a)

Verfraaien

b)

Aandacht trekken

c)

Verduidelijken

d)

Aanvullen

31.

Wat wil de schrijver bij het tekstdoel overtuigen?

a)

Hij wil je vermaken

b)

Hij wil dat je iets te weten komt

c)

Hij wil dat je vindt dat hij gelijk heeft

d)

Hij wil je overhalen om iets wel of niet te doen