wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Test je kennis over Erfelijkheid

Total questions: 22

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

De onderstaande biologische begrippen zijn allemaal onderdeel van levende organismen: cel, chromosoom, gen, DNA, organisme, celkern. Kruis aan welke begrippen je kent

a)

cel

b)

chromosoom

c)

gen

d)

DNA

e)

Celkern

2.

Onderdelen in een organisme zijn: celkern, DNA, chromosoom, gen en cel. Zet deze organismen in de goede volgorde, het kleinste eerst, het grootste als laatste.

a)

DNA - Gen - Cel - Chromosoom - Celkern

b)

Gen - DNA - Chromosoom - Celkern - Cel

c)

Gen - Chromosoom - DNA - Celkern - Cel

d)

Chromosoom - DNA - Celkern - Gen - Cel

3.

Uit hoeveel cellen bestaat een boom?

a)

geen cel

b)

een cel

c)

meerdere cellen

d)

geen idee

4.

Uit hoeveel cellen bestaat een zoogdier?

a)

geen cel

b)

een cel

c)

meerdere cellen

d)

geen idee

5.

Uit hoeveel cellen bestaat een varen?

a)

geen cel

b)

een cel

c)

meerdere cellen

d)

geen idee

6.

Uit hoeveel cellen bestaat een virus?

a)

geen cel

b)

een cel

c)

meerdere cellen

d)

geen idee

7.

Uit hoeveel cellen bestaat een schimmel?

a)

geen cel

b)

een cel

c)

meerdere cellen

d)

geen idee

8.

Uit hoeveel cellen bestaat een bacterie?

a)

geen cel

b)

een cel

c)

meerdere cellen

d)

geen idee

9.

Uit hoeveel cellen bestaat een insect?

a)

geen cel

b)

een cel

c)

meerdere cellen

d)

geen idee

10.

Er zijn bomen, zoogdieren, varens, virussen, schimmels bacterien en insecten. Welke van deze organismen bevatten chromosomen?

a)

Geen enkele

b)

Alleen bomen, zoogdieren, insecten en varens

c)

Alleen virussen, schimmels en bacterien

d)

Allemaal, behalve virussen

e)

Allemaal

11.

Er zijn bomen, zoogdieren, varens, virussen, schimmels, bacterien en insecten. Welke van deze organismen bevatten erfelijk materiaal?

a)

Geen enkele

b)

Alleen virussen, schimmels en bacterien

c)

Alleen bomen, zoogdieren, insecten en varens

d)

Allemaal, behalve virussen

e)

Allemaal

12.

Waar in je lichaam komen genen voor?

a)

Niet in geslchtscellen en niet in lichaamscellen

b)

Alleen in geslachtscellen

c)

Alleen in lichaamscellen

d)

In alle lichaamscellen en geslachtcellen

13.

Waar zijn genen van gemaakt?

a)

Ze zijn gemaakt van chromatiden

b)

Ze zijn gemaakt van chromosomen

c)

Ze zijn gemaakt van DNA

14.

Waarom zijn genen belangrijk?

a)

Genen bevatten informatie over je erfelijke eigenschappen.

b)

Genen zorgen ervoor dat alle processen in de cel goed verlopen.

c)

Genen bepalen hoe je eruit ziet.

15.

Waar in je lichaam komt DNA voor

a)

Alleen in je voortplantingsstelsel

b)

In alle cellen met een celkern

c)

Alleen in geslachtscellen

d)

Overal in het lichaam

16.

Waarom is DNA belangrijk?

a)

DNA bevat informatie over al je erfelijke eigenschappen.

b)

DNA bepaalt je geslacht.

c)

DNA bepaalt je karakter.

17.

Wat is de functie van de celkern?

a)

Regelt de verbranding in de cel.

b)

Hier vindt fotosynthese plaats.

c)

Regelt alle processen in de cel.

18.

Wat zit er in de celkern?

a)

cytoplasma

b)

water

c)

Chromosomen

d)

bladgroenkorrels

19.

Waar in het lichaam komen chromosomen voor?

a)

Alleen in je bloed

b)

In de celkern

c)

Alleen in delende cellen

d)

In de celkern

20.

Waar zijn chromosomen van gemaakt?

a)

van DNA

b)

van koolhydraten

c)

van verschillende organische stoffen

d)

van anorganische stoffen

21.

Wat wordt bedoeld met het begrip genetische informatie?

a)

Welke erfelijke ziekten je kan krijgen.

b)

Welke erfelijke eigenschappen je hebt.

c)

Erfelijke informatie die vastligt in je DNA.

d)

Informatie over je afstamming.

22.

Wat bedoelen we met de genetische code?

a)

De volgorde van de opbouw van genen.

b)

Welke chromosomen je hebt.

c)

Hoeveel chromosomen je hebt.