Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H1 Brugklas h/v (Fi, Wo, Gr)

Total questions: 29

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de definitie van fictie?

a)

Verhalen

b)

Verzonnen verhalen

c)

Verhalen die waargebeurd zijn

d)

Verzonnen verhalen die waargebeurd zouden kunnen zijn

2.

Als je naar de kaft van dit boek kijkt, welke uitspraak over dit boek is dan waar?

a)

Dit boek is non-fictie

b)

Dit boek is realistische fictie

c)

Dit boek is niet-realistische fictie

3.

Welke uitspraak over de films Spijt en Harry Potter is waar?

a)

Beide films zijn realistische fictie.

b)

Beide films zijn niet-realistische fictie.

c)

Spijt = realistische fictie; Harry Potter = niet-realistische fictie

d)

Spijt = niet-realistische fictie; Harry Potter = realistische fictie

4.

Zijn toneelstukken fictie of non-fictie?

a)

Fictie

b)

Non-fictie

5.

Wat betekent het schoppen tot?

a)

Vereren, bewonderen, opkijken naar

b)

Prijzen, goede kwaliteiten noemen van iets of iemand

c)

Aantonen, bewijzen

d)

Iets bereiken

6.

Wat betekent gerenommeerd?

a)

Beroemd, bekend

b)

Anders zijn dan andere mensen of dingen

c)

Product dat veel succes heeft, succesnummer

d)

Zeer bijzonder en nieuw, vernieuwend

7.

Welk woord hoort bij de betekenis er rekening mee houden?

a)

Erop nahouden

b)

In aanmerking nemen

c)

Typeren

d)

Zich vrij uitdrukken

8.

Welk woord hoort bij de betekenis de macht, de kracht?

a)

De concentratie

b)

De klapper

c)

Het vermogen

d)

De discipline

9.

Welke betekenis van discipline is in onderstaande zin gebruikt?


De wetenschappers binnen deze discipline hebben daar jarenlang onderzoek naar gedaan.

a)

Kracht om vol te houden wat er gedaan moet worden, ook als je geen zin hebt

b)

Vakgebied, richting

10.

Welke van onderstaande woorden is geen samenstelling?

a)

Voetstuk

b)

Revolutionair

c)

Basgitaar

d)

Snoekduik

11.

Welke uitspraak over samenstellingen is waar?

a)

Als je wilt weten welk lidwoord de samenstelling heeft, kijk je naar het eerste woord.

b)

Als je wilt weten welk lidwoord de samenstelling heeft, kijk je naar het laatste woord.

12.

Hoeveel samenstellingen tel je in onderstaand tekstje?


Op vrijdagavond fietsten we naar het clubhuis. De jeugdvereniging had een spelletjesavond georganiseerd. Binnen stonden damborden, sjoelbakken en gezelschapsspellen klaar. De leiding had de zaal ook leuk aangekleed. Het was erg geslaagd!

a)

5

b)

6

c)

7

d)

8

e)

9

13.

Het benoemen van zinsdelen noemen we ook wel ...

a)

redekundig ontleden

b)

taalkundig ontleden

14.

Welke uitspraak over de persoonsvorm is niet waar?

a)

Je vindt de pv door de zin in een andere tijd te zetten.

b)

De pv kan uit meerdere woorden bestaan.

c)

In een enkelvoudige zin staat maar één pv.

d)

In een niet-vragende zin is de pv het tweede zinsdeel.

15.

Wat is/zijn de persoonsvorm(en) in de volgende zin?


Terwijl ik ruziemaakte met mijn zusje, begon mijn moeder tegen ons te schreeuwen.

a)

Ruziemaakte, begon, schreeuwen

b)

Ruziemaakte, begon

c)

Ruziemaakte, schreeuwen

d)

Begon, schreeuwen

e)

Begon

16.

Wat is/zijn de persoonsvorm(en) in onderstaande zin?


Laura heeft naar eigen zeggen alle wereldzeeën al bevaren.

a)

Heeft

b)

Heeft, bevaren

c)

Heeft, zeggen, bevaren

d)

Zeggen, bevaren

e)

Bevaren

17.

Uit hoeveel zinsdelen bestaat de volgende zin?


Tijdens de theatervoorstelling moest mijn kleine zusje voortdurend lachen.

a)

3

b)

4

c)

5

d)

6

18.

Lees de volgende zin. Bij welk antwoord staan de zinsdeelstrepen correct?


De dichter schreef dit sonnet in 1921 voor zijn overleden vrouw.

a)

De dichter | schreef | dit sonnet | in 1921 | voor zijn overleden vrouw.

b)

De dichter | schreef | dit sonnet in 1921 | voor zijn overleden vrouw.

c)

De dichter | schreef | dit sonnet | in 1921 voor zijn overleden vrouw.

d)

De dichter | schreef | dit sonnet | in 1921 | voor zijn overleden | vrouw.

19.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?


De mensen in deze buurt verkoopt de slager lekkere stukken vlees.

a)

De mensen

b)

De mensen in deze buurt

c)

De slager

d)

Lekkere stukken vlees

20.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?


Gisteren zijn mijn moeder en ik naar de Efteling geweest.

a)

Mijn moeder

b)

Ik

c)

Mijn moeder en ik

d)

De Efteling

21.

In wat voor soort zinnen staat geen onderwerp?

a)

Vraagzinnen

b)

Gebiedende wijs

c)

Bijzinnen

22.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden staan er in onderstaande zin?


Ruben heeft afgelopen week een reep pure chocolade gekocht toen hij boodschappen deed in het centrum van Amsterdam.

a)

4

b)

5

c)

6

d)

7

e)

8

23.

Welke uitspraak over zelfstandige naamwoorden is niet waar?

a)

Zelfstandige naamwoorden noemen mensen, dieren, planten, dingen en begrippen.

b)

Voor een zelfstandig naamwoord kun je een lidwoord zetten.

c)

Een zelfstandig naamwoord kun je meestal in het meervoud zetten.

d)

Van een zelfstandig naamwoord kun je vaak een verkleinwoord maken.

e)

In elke zin staat een zelfstandig naamwoord.

24.

Welke van onderstaande woorden is geen zelfstandig naamwoord?

a)

Risico

b)

Verdriet

c)

Belasting

d)

Werkloos

25.

Welke uitspraak over lidwoorden is waar?

a)

De/het = bepaald lidwoord; een = onbepaald lidwoord

b)

De = bepaald lidwoord; het/een = onbepaald lidwoord

c)

De/een = bepaald lidwoord; het = onbepaald lidwoord

d)

De/het = onbepaald lidwoord; een = bepaald lidwoord.

26.

Hoeveel lidwoorden staan er in onderstaande zin?


Omdat het gisteren de hele dag regende in het prachtige Rome, hebben we vandaag pas een bezoekje gebracht aan het beroemde museum.

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

27.

Wat wordt er bedoeld met de infinitief?

a)

De aanpassing van het werkwoord aan de persoon die iets doet, en de tijd.

b)

Het hele werkwoord

c)

De persoonsvorm

28.

Welke van de onderstaande woorden is geen werkwoord?

a)

Verrassen

b)

Knuffelen

c)

Raden

d)

Zijn

e)

Engelen

29.

Hoeveel werkwoorden staan er in onderstaande zin?


Ik had hem wel willen zien kijken toen hij hoorde dat hij niet was toegelaten tot zijn opleiding.

a)

3

b)

4

c)

5

d)

6

e)

7