wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BLok 1

Total questions: 30

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Gisteren belandde Ajax in de kwartfinale van de Champions league.

a)

Persoonsvorm

b)

Voltooid deelwoord

c)

Infinitief

2.

De oude wijze man zwaait vriendelijk naar ons.

a)

Persoonsvorm

b)

Voltooid deelwoord

c)

Infinitief

3.

Welk van deze woorden is het hele werkwoord?

a)

Pakt

b)

Gebakken

c)

Lopen

d)

Liepen

4.

Welk van deze woorden is het hele werkwoord?

a)

Schaatsten

b)

Gebruikten

c)

Liggen

d)

Kochten

5.

Wat is de stam van lopen?

a)

loop

b)

lop

6.

Wat is de stam van zwemmen?

a)

zwemm

b)

zwem

7.

Wat is de ik-vorm van kopen?

a)

kop

b)

koop

8.

Wat is de ik-vorm van kiezen?

a)

kiez

b)

kies

9.

Wat is de stam van kiezen?

a)

kies

b)

kiez

10.

Wat is geen tekstdoel?

a)

informeren

b)

amuseren

c)

overhalen

d)

gebruiken

11.

Welke tekstsoort hoort er bij informeren?

a)

informerende tekst

b)

overhalende tekst

c)

aansporende tekst

d)

amuserende tekst

12.

Welke tekstsoort hoort er bij overhalen?

a)

overhalende tekst

b)

aansporende tekst

c)

informerende tekst

d)

amuserende tekst

13.

Welke tekstsoort hoort er bij amuseren?

a)

overhalende tekst

b)

aansporende tekst

c)

informerende tekst

d)

amuserende tekst

14.

Wat is een synoniem (ander woord met dezelfde betekenis) voor rennen?

a)

vallen

b)

hollen

15.

Wat is een synoniem (ander woord met dezelfde betekenis) voor lachen?

a)

gieren

b)

snikken

16.

Wat is het tekstdoel van een krant?

a)

informeren

b)

amuseren

c)

overhalen

17.

Wat is het tekstdoel van een reclamefolder?

a)

informeren

b)

amuseren

c)

overhalen

18.

Wat is het tekstdoel van het leesboek 'het leven van een loser'?

a)

informeren

b)

amuseren

c)

overhalen

19.

Wat betekent frustratie?

a)

Boosheid omdat iets niet lukt of omdat je iets niet begrijpt

b)

Gelukkig zijn omdat het lukt

20.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Jari ___________ op een vlot.
a)
drijft
b)
drijvt
c)
dreivt
d)
dreift
21.
Wat krijg je als een werkwoord in 't kofschip zit?
a)
+te of +ten
b)
+de of +den 
c)
+te
d)
+de
22.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Wij vieren vandaag de verjaardag van juf.
a)
vierden
b)
vieren
c)
vierde
d)
vierten
23.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Hij speelt bij een andere club.
a)
speel
b)
speelde
c)
speelt
d)
speelte
24.

Het meisje heeft de rozen geplukt. Wat is het wwg?

a)

het meisje

b)

heeft

c)

heeft geplukt

d)

de rozen

25.

Loriana kijkt de toetsen na. Wat is het wwg?

a)

Loriana

b)

kijkt

c)

de toetsen

d)

kijkt na

26.
Wat is de juiste spelling van het voltooid deelwoord van bellen in de zin 'Ik heb mijn oma ...'?
a)
Gebeld
b)
Gebelt
c)
Belt
d)
Beld
27.
Die kaars heeft de hele nacht (branden).
a)
gebranden
b)
gebrand
c)
gebrandt
d)
gebrant
28.
Mijn moeder heeft gisteren het hele huis (stofzuigen).
a)
stofgezogen
b)
stof gezogen
c)
gestofzuigd
d)
gestofzuigt
29.

Een tekst bestaat altijd uit drie delen: inleiding, tekst en slot

a)

Waar

b)

Niet waar

30.

Het onderwerp van een alinea noem je een deelonderwerp.

a)

Waar

b)

Niet waar