wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hfst 1 & 2.1, 2.2, 2.3

Total questions: 26

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Welk begrip wordt er bedoeld? Iemand die kritiek had op de kerk en deze wilde veranderen

a)

Hervormer

b)

Ketter

c)

Protestant

d)

Hagenpreker

2.

Wat is een centraal bestuur?

a)

Een soort provincie in de Nederlanden met eigen munten en wetten

b)

Een bestuur waarbij iedereen moet luisteren naar de koning

c)

Een door de paus opgerichte rechtbank om ketters op te sporen

d)

Alle regels en wetten in een land zijn hetzelfde

3.

Waar begon de Beeldenstorm?

a)

In het Duitse Rijk

b)

In Engeland

c)

In de Nederlanden

d)

In Spanje

4.

Wie was de leider van de opstand tegen de Spanjaarden?

a)

Elizabeth I van Engeland

b)

Willem van Oranje

c)

Filips II van Spanje

d)

De hertog van Alva

5.

Waar of niet waar? Na de dood van Willem van Oranje volgende zijn zoon Maurits hem op als koning

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

3 antw. goed; Wat vond Luther belangrijk voor gelovigen?

a)

Beelden in de kerk

b)

Zelf de bijbel lezen

c)

Zelf contact leggen met god

d)

Via een priester met god praten

e)

Sober leven

7.

3 antw. goed: Welke oorzaken leidde tot de Beeldenstorm?

a)

De centralisatie van Karel V en Filips II

b)

De gewesten mochten hun eigen wetten maken

c)

Filips II was een strenge katholiek

d)

Er was een hongersnood en grote werkeloosheid

e)

De hertog van Alva kwam katholieke priesters straffen

8.

3 antw. goed: Welke provincies sloten zich in 1759 aan bij de Unie van Utrecht?

a)

Holland

b)

Brabant

c)

Zeeland

d)

Utrecht

e)

Limburg

9.

Op de afbeelding zie je de Beeldenstorm. In welk tijdvak vond deze plaats?

a)

Tijd van Monniken en Ridders

b)

Tijd van Ontdekkers en Hervormers

c)

Tijd van Steden en Staten

d)

Tijd van Regenten en Vorsten

10.

2 antw. goed. Wat werd er in de Staten-Generaal besproken?

a)

Welke wetten er in alle gewesten moesten gelden

b)

Met welke landen er oorlog gevoerd moest gaan worden

c)

Of er een bondgenootschap werd gesloten met Engeland

d)

Hoeveel winst de VOC moest uitkeren aan de aandeelhouders

11.

3 antw. goed: De Opstand ging na 1588 steeds beter voor de Republiek. Waarom?

a)

De Republiek kon meer huursoldaten in dienst nemen

b)

Filips II werd Protestants en trok zich terug

c)

Stadhouder Maurits verbeterde het leger

d)

In Spanje vond een slavenopstand plaats

e)

De Republiek kreeg o.a. Engeland als bondgenoot

12.

In 1648 kwam de Vrede van Munster. Wat werd er bepaald?

a)

De Republiek moest trouw zweren aan de Spaanse koning

b)

De Republiek werd door Spanje aan Frankrijk gegeven

c)

De Republiek moest weer katholiek worden

d)

De Republiek werd onafhankelijk van Spanje

13.

Ontstaan en verspreiding van het Christendom is een kenmerkend aspect van de

a)

Tijd van Jagers en Boeren

b)

Tijd van Ontdekkers en Hervormers

c)

Tijd van Monniken en Ridders

d)

Tijd van Grieken en Romeinen

14.

3 antw. goed: Welke kenmerken heeft het Katholieke geloof

a)

Je maakt contact met god via een priester

b)

Je leest zelf de bijbel

c)

Beelden in de kerk geven je een voorbeeld

d)

De priester leest jou voor uit de bijbel

e)

Aflaten zijn fout, je moet hard bidden om in de hemel te komen

15.

Wat was Luther's grootste probleem met aflaten?

a)

Niet door geld te betalen, maar alleen door gelovig te bidden kwam je in de hemel

b)

Priesters staken verdiend geld in eigen zak

c)

De kerk gaf het aflatengeld uit aan soldaten

d)

Luther had geen probleem met aflaten; voor geld kon je inderdaad in de hemel komen volgens de bijbel

16.

Humanisten onderzochten vooral _____ uit de _____.

a)

Christelijke bronnen, Middeleeuwen

b)

Christelijke bronnen, Oudheid

c)

schilderijen, Middeleeuwen

d)

Romeinse mythen, Oudheid

17.

Wie zou kunnen zeggen: "Ik kijk graag naar afbeeldingen in de kerk. Ze geven mij een goed idee van het geloof."

a)

Een Katholiek

b)

Een Protestant

c)

Een Calvinist

18.

Waar of niet waar: Toen Spanje verslagen was kregen de Nederlanden een centraal bestuur.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Welke goederen kwamen naar Amsterdam door de Oostzeevaart?

a)

Tabak

b)

Specerijen

c)

Slaven

d)

Graan

e)

Hout

20.

2 antw. goed. Welke kenmerkende aspecten horen bij de Tijd van Monniken en Ridders?

a)

Leenstelsel

b)

Strijd tussen kerk en staat

c)

Ontstaan en verspreiding van de Islam

d)

Ontdekkingsreizen

21.

Waarom verplaatste de handel zich in 1585 van Antwerpen naar Amsterdam

a)

Antwerpen werd platgebrand door de Watergeuzen

b)

Willem van Oranje werd daar vermoord, dat zorgde door paniek

c)

In Amsterdam ontstond een grote slavenmarkt

d)

Antwerpen werd veroverd door de Spanjaarden

22.

De WIC deed aan kaapvaart. Wat is kaapvaart?

a)

Dat ze deden aan slavenhandel

b)

Ze overvielen schepen van andere landen

c)

Ze vielen o.a. suikerrietplantages van de Spanjaarden aan

d)

Ze bevochten piraten in ruil voor betaling

23.

De VOC kreeg van de Republiek een handelsmonopolie. Wat is dat?

a)

Ze waren de enige die namens de Republiek met Indië mochten handelen

b)

Ze mochten hotels bouwen op de Kalverstraat

c)

Alle slavenhandel met Indië werd door de VOC uitgevoerd

24.

3 antw. goed. Welke goederen werden er allemaal verscheept bij de driehoekshandel?

a)

Slaven

b)

Graan

c)

Specerijen

d)

Tabak

e)

Suiker

25.

De tijd van 1500 tot 1600 n. Chr. noemen we ook wel de

a)

Oudheid

b)

Tijd van Ontdekkers en Hervormers

c)

Tijd van Steden en Staten

d)

Middeleeuwen

26.

Hier zie je een schip van de VOC. Waar ging deze waarschijnlijk naar toe?

a)

Afrika

b)

Indonesië

c)

Suriname

d)

Zweden