wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nova 3 VMBO-KGT Elektriciteit

Total questions: 30

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Welke eenheid hoort bij spanning?

a)

Ampère

b)

Watt

c)

Kilowattuur

d)

Volt

2.
Wat betekent het volgende symbool?
a)
Lampje
b)
Batterij
c)
Schakelaar
d)
Meter
3.

De letter P staat voor:

a)

Vermogen

b)

Power

c)

Beide antwoorden zijn goed

d)

Beide antwoorden zijn fout

4.

27 mA =

a)

2700 A

b)

270 A

c)

0,27 A

d)

0,027 A

5.
5 identieke lampjes zijn aangesloten op een batterij van 9 Volt.
Welke stelling is juist?
a)
Lampjes 1 en 2 branden het felst.
b)
Lampjes 3, 4 en 5 branden het felst.
c)
Alle lampjes branden even fel.
d)
Kan je niet weten want de stroomsterkte is niet gegeven.
6.
In de figuur zijn 3 dezelfde lampjes aangesloten op een batterij van 4,5 Volt.
Welke stelling is juist?
a)
Alle lampjes branden even fel.
b)
Het rechter lampje brandt het felst.
c)
Het rechter lampje brand het zwakst.
d)
Kan je niet weten omdat de stroomsterkte niet gegeven is.
7.
Hoeveel Volt wijst de meter aan?
a)
10
b)
11
c)
12
d)
13
8.

Wanneer kan er in een stroomkring stroom lopen?

a)

Als het rode draad in de plus kant zit en het zwarte draad in de min kant

b)

Als er genoeg isolatoren in de stroomkring zitten

c)

Alleen als de stroomkring gesloten is

d)

Alle drie de antwoorden zijn juist

9.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
10.
In een parallelschakeling is de stroomsterkte overal hetzelfde.
a)
Waar 
b)
Niet waar
11.

De spanning op een stopcontact is....

a)

110 V

b)

220 V

c)

230 V

d)

325 V

12.

De aardlek-schakelaar schakelt alle groepen uit als er....

a)

stroom weglekt

b)

kortsluiting is

c)

overbelasting is

13.

Welke twee beweringen over overbelasting zijn waar?

a)

De stroom wordt te groot.

b)

De stroom ondervindt vrijwel geen weerstand meer.

c)

Er treedt kortsluiting in een apparaat op.

d)

Er zijn te veel apparaten op één groep aangesloten.

14.

In een schakeling zijn drie lampjes in serie geschakeld. Welke twee beweringen over de stroom en de stroomsterkte in deze schakeling zijn waar?

a)

De stroomsterkte is overal in de stroomkring gelijk.

b)

De totale stroomsterkte is het grootst door het eerste lampje.

c)

De totale stroomsterkte vind je door de stroomsterktes door de drie lampjes bij elkaar op te tellen.

d)

De stroom kan maar één route volgen.

15.

Wat is de formule om het vermogen van een apparaat te berekenen?

a)

P = UI

b)

P = U * I

c)

U = IP

d)

U = P * I

16.

Betty maakt een parallelschakeling met drie lampjes. Ze sluit de schakeling aan op een gelijkspanningsbron. Welk schema hoort bij deze schakeling?

a)
b)
c)
17.
Een stroomkring kan geopend en gesloten worden met een....
a)
Batterij
b)
Lampje
c)
Weerstand
d)
Schakelaar
18.

Een zekering schakelt een groep uit als er....

a)

stroom weglekt

b)

kortsluiting is

c)

overbelasting is

19.

Welke kleuren heb de aansluitdraden in een lichtpunt aan het plafond?

a)

rood en blauw

b)

bruin en blauw

c)

zwart en blauw

d)

bruin en geel-groen

20.

Hoe wordt de blauwe draad in een huisinstallatie genoemd?

a)

fasedraad

b)

nuldraad

c)

schakeldraad

d)

aarddraad

21.

Een zekering voorkomt

a)

kortsluiting

b)

overbelasting

c)

brand

d)

alle drie

22.

Waartegen beschermt isolatie?

a)

kortsluiting

b)

overbelasting

c)

elektrische schok

d)

ontploffing

23.

Spanning kun je afkorten met de letter

a)

I

b)

P

c)

U

d)

V

24.

Welke spanningsbron geeft een wisselspanning?

a)

batterij

b)

accu

c)

het stopcontact

d)

alle drie

25.

kilowattuur kun je afkorten als:

a)

kwh

b)

kwH

c)

KWh

d)

kWh

26.

Wat is het vermogen van deze hogedrukreiniger?

a)

150

b)

230 V

c)

1,65 A

d)

1650 W

27.

Deze kachel heeft 20 minuten aan gestaan. Hoeveel energie is er dan verbruikt?

a)

0,667 kWh

b)

667 kWh

c)

40 000 kWh

d)

40 000 J

28.

Welke zin is natuurkundig in orde?

a)

Elektrische apparaten verbruiken stroom

b)

Als je een schaar in het stopcontact steekt krijg je stroom

c)

Door teveel stroom kan er brand onstaan

d)

Pas op! Er staat stroom op die lamp.

29.

Een aardlekschakelaar beschermt tegen

a)

brand

b)

kortsluiting

c)

overbelasting

d)

schok

30.

Wat beschermt tegen brand?

a)

Verzekering

b)

Randaarde

c)

Aardlekschakelaar

d)

Zekering