wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4B voorbereiding tekstbegrip

Total questions: 15

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

en, ook, daarnaast en bovendien zijn signaalwoorden voor een

a)

tegenstelling

b)

opsomming

c)

conclusie

d)

reden of argument

2.

Bij het tekstverband tegenstelling horen de signaalwoorden

a)

en, ook, daarnaast, bovendien

b)

waarmee, door middel van, om te

c)

maar, toch, echter, daarentegen

d)

doordat, hierdoor, met als gevolg

3.

eerst, dan, daarna, vervolgens en tenslotte zijn signaalwoorden voor

a)

volgorde

b)

conclusie

c)

tijd

d)

doel-middel

4.

Het tekstverband conclusie wordt aangekondigd met de signaalwoorden

a)

en, ook, daarnaast en vervolgens

b)

waarmee, door middel van

c)

omdat, want, daarom, vanwege, immers, namelijk

d)

dus, kortom, dan ook

5.

In de inleiding van een tekst kan de schrijver

a)

je interesse wekken

b)

een gebeurtenis beschrijven

c)

een mening over het onderwerp geven

d)

een vraag over het onderwerp stellen

6.

Het slot van een tekst

a)

heeft geen speciale functie

b)

is meestal onderdeel van de kern

c)

kan worden gebruikt om de belangrijkste informatie samen te vatten

d)

kan gemakkelijk omgewisseld worden met de inleiding

7.

Het slot van een tekst wordt nooit gebruikt om

a)

een samenvatting te geven

b)

het onderwerp in te leiden

c)

een conclusie te trekken

d)

een aanbeveling te doen

8.

Als je in de tekst een woord tegenkomt dat je niet kent

a)

pak je direct een woordenboek

b)

begrijp je gelijk de hele tekst niet

c)

kun je dat woord soms begrijpen als je een deel van het woord herkent

d)

kun je de vragen over de tekst niet beantwoorden

9.

Soms staat er bij een moeilijk woord

a)

een voorbeeld in de tekst waardoor je het woord toch kunt begrijpen

b)

een synoniem in de tekst

c)

de betekenis van dat woord op de kop gedrukt achterop je examenblad

d)

een omschrijving in de tekst

10.

Bij je examen mag je

a)

geen woordenboek gebruiken

b)

alleen een woordenboek gebruiken als mevrouw Zoethout in de buurt is

c)

een woordenboek gebruiken

d)

alleen een woordenboek gebruiken wanneer je dat verteld is

11.

Bij een informatieve tekst

a)

is het doel van de schrijver informatie geven

b)

is het doel van de schrijver instructie geven

c)

is het doel van de schrijver jou overhalen iets te doen

d)

is het doel van de schrijver jou te vermaken

12.

De schrijver geeft zijn mening in een

a)

amuserende tekst

b)

activerende tekst

c)

informatieve tekst

d)

overtuigende tekst

13.

De belangrijkste theorie die je kunt leren voor tekstbegrip gaat over

a)

tekstdoelen

b)

moeilijke woorden

c)

inleiding, kern, slot

d)

tekstverbanden en signaalwoorden

14.

de aanbeveling betekent

a)

het advies

b)

iemand iets laten doen

c)

inleiding

d)

conclusie

15.

De hoofdgedachte van een tekst is

a)

precies hetzelfde als het onderwerp

b)

de conclusie

c)

antwoord op de vraag: "Waar gaat de tekst over?"

d)

het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp zegt, samengevat in één zin