wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Anatomie thema 1 t/m 5

Total questions: 35

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de verhouding

bloedplasma : bloedcellen?

a)

40 : 60 %

b)

45 : 55 %

c)

55 : 45 %

d)

50 : 50 %

2.

Welke bloedcellen spelen een belangrijke rol bij bloedstolling?

a)

Erytrocyten

b)

Leucocyten

c)

Trombocyten

3.

Alleen de bloedgroepen A, B, AB en 0 spelen een belangrijke rol bij bloedtransfusie

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Welke bloedvaten gaan altijd richting het hart?

a)

Venen

b)

Arteriën

5.

Arteriën gaan altijd van het hart af en zijn altijd zuurstofrijk

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Wat komt het bloed als eerst tegen als het door de Vena Cava inferior en superior stroomt?

a)

Rechter atrium > mitralisklep

b)

Linker atrium > tricuspidalusklep

c)

Rechter atrium > tricuspidalusklep

d)

Linker atrium > mitralisklep

7.

Hoe noem je het tussenschot dat de atria en de ventrikels van elkaar scheidt in het hart?

a)

Septum

b)

Sinusknoop

c)

Nervus vagus

d)

AV-knoop

8.

Uit welke bloedsomloop ontspringen de coronairen (kransslagaders)?

a)

Grote bloedsomloop

b)

Kleine bloedsomloop

9.

Welke holte in het hart is het grootst?

a)

Rechter atrium

b)

Rechter ventrikel

c)

Linker atrium

d)

Linker ventrikel

10.

Hoe noem je immunisatie via de griepspuit?

a)

Natuurlijke actieve immunisatie

b)

Natuurlijke passieve immunisatie

c)

Kunstmatige actieve immunisatie

d)

Kunstmatige passieve immunisatie

11.

Wat is het afvalproduct van verbranding met zuurstof?

a)

Koolstofmonoxide

b)

Koolstofdioxide

12.

Wat is een belangrijk kenmerk van een weefsel?

a)

Het bestaat uit ongelijksoortige cellen

b)

Het bestaat uit gelijksoortige cellen

c)

De cellen hebben een afwijkende vorm

d)

De cellen hebben een afwijkende functie

13.

Waar in het lichaam tref je spierweefsel aan?

a)

Slijmvliezen van de mond, neus, anus en vagina

b)

Tussenwervelschijven

c)

Hersenen

d)

In de wanden van de bloedvaten

14.

Welk soort klier geeft zijn stof direct af aan het externe milieu?

a)

Endocriene klier

b)

Exocriene klier

15.

Waar vind je een combinatie van glad én dwarsgestreept spierweefsel?

a)

Darmen

b)

Maag

c)

Hart

d)

Slokdarm

16.

Wat is een neuron?

a)

Spiercel

b)

Bloedcel

c)

Zenuwcel

d)

Huidcel

17.

Welke bloedcellen vervoeren zuurstof naar de organen toe?

a)

Erytrocyten

b)

Leukocyten

c)

Trombocyten

18.

Wat is systole?

a)

De onderdruk als het hart samentrekt

b)

De bovendruk als het hart samentrekt

c)

De onderdruk als het hart ontspant

d)

De bovendruk als het hart ontspant

19.

Hoe noem je het bekloppen van een lichaamsdeel als onderzoek?

a)

Palperen

b)

Percussie

c)

Auscultatie

d)

Inspectie

20.

Stoffen verplaatsen zich in en uit de cel. Welke proces is dit?

a)

Osmose

b)

Diffusie

21.

Water verplaatst zich in en uit de cel. Welk proces is dit?

a)

Osmose

b)

Diffusie

22.

Wat betekend mmHg?

Voorbeeld: bloedruk = 120/80mmHg

a)

Millimeters kwikdruk

b)

Millimeters bovendruk

c)

Milliliters kwikdruk

d)

Milliliters bloed

23.

Wat pompt de rechter ventrikel door?

a)

Zuurstofrijk bloed

b)

Zuurstofarm bloed

24.

Hoe heten de venen die van de longen naar het linker atrium lopen?

a)

Arteria pulmonalis

b)

Vena Cava superior

c)

Aorta ascendens

d)

Vena pulmonalis

25.

Uit hoeveel delen bestaat het eerste deel van de aorta?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

26.

Waar hoort deze vraag bij:

Hoe lang is een been?

a)

Anatomie

b)

Fysiologie

27.

Waar hoort deze vraag bij:

Hoe werken de beenspieren tijdens het lopen?

a)

Anatomie

b)

Fysiologie

28.

Hoe heeft de hartklep tussen de linker atrium en linker ventrikel?

a)

Tricuspidalisklep

b)

Mitralisklep

c)

Pulmonalisklep

d)

Aortaklep

29.

Hoe wordt het hartzakje in het Latijn genoemd?

a)

Endocard

b)

Myocard

c)

Pericard

30.

Hoe wordt de grote bloedsomloop ook wel genoemd?

a)

Lichaamscirculatie

b)

Longcirculatie

31.

Is de Vena pulmonalis zuurstofrijk of

-arm?

a)

Zuurstofrijk

b)

Zuurstofarm

32.

Tot welke afweer behoren de B- en T-lymfocyten?

a)

Aspecifieke afweer

b)

Specifieke afweer

33.

Welk proces vindt als eerste plaats na het ontstaan van een wondje?

a)

Weefselherstel

b)

Stolling

c)

Propvorming

d)

Vasocontrictie

34.

Hoe heeft de binnenste laag van een bloedvat?

a)

Tunica intima

b)

Tunica media

c)

Tunica adventia

35.

Hoe worden kleine venen ook wel genoemd?

a)

Arteriën

b)

Arteriolen

c)

Capillairen

d)

Venulen