wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VTT - Temps primitifs

Total questions: 50

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.
J'ai fait la vaisselle
a)
Ik heb afgewassen
b)
Ik ben afgewassen
c)
Ik heb geafwast
d)
Ik ben geafwassen
e)
Ik heb geafwassen
2.
J'ai cuit
a)
Ik heb gebakken
b)
Ik ben gebakken
c)
Ik heb gebaken
d)
Ik ben gebaken
e)
Ik ben gebakt
3.
J'ai commencé
a)
Ik ben begonnen
b)
Ik heb begonnen
c)
Ik beb beginnen
d)
Ik heb beginnen
e)
Ik heb begind
4.
J'ai compris
a)
Ik heb begrepen
b)
Ik ben begrepen
c)
Ik heb begrijpt
d)
Ik ben begrijpt
e)
Ik ben begrijpen
5.
J'ai rendu visite
a)
Ik heb bezocht
b)
Ik ben bezocht
c)
Ik heb bezoekt
d)
Ik ben bezoekt
e)
Ik heb bezochten
6.
J'ai mordu
a)
Ik heb gebeten
b)
Ik ben gebeten
c)
Ik heb gebijten
d)
Ik heb gebijt
e)
Ik ben gebeet
7.
Je suis resté
a)
Ik ben gebleven
b)
Ik heb gebleven
c)
Ik ben geblijven
d)
Ik ben geblijft
e)
Ik heb geblijft
8.
J'ai apporté
a)
Ik heb gebracht
b)
Ik ben gebracht
c)
Ik heb gebrengen
d)
Ik heb gebrengd
e)
Ik ben gebrengd
9.
J'ai pensé
a)
Ik heb gedacht
b)
Ik ben gedacht
c)
Ik heb gedenkt
d)
Ik ben gedenken
e)
Ik heb gedachten
10.
J'ai fait
a)
Ik heb gedaan
b)
Ik ben gedaan
c)
Ik heb gedeed
d)
Ik ben gedoen
e)
Ik heb gedoet
11.
J'ai porté
a)
Ik heb gedragen
b)
Ik ben gedragen
c)
Ik heb gedraagd
d)
Ik ben gedraagd
e)
Ik ben gedroegen
12.
J'ai bu
a)
Ik heb gedronken
b)
Ik ben gedronken
c)
Ik heb gedrinkt
d)
Ik ben gedrinkt
e)
Ik heb gedrinken
13.
J'ai mangé
a)
Ik heb gegeten
b)
Ik ben gegeten
c)
Ik heb geeten
d)
Ik ben geeten
e)
Ik heb geeet
14.
Je suis allé
a)
Ik ben gegaan
b)
Ik heb gegaan
c)
Ik ben gedaat
d)
Ik heb gegaat
e)
Ik ben gegaad
15.
J'ai donné
a)
Ik heb gegeven
b)
Ik ben gegeven
c)
Ik heb gegeefd
d)
Ik ben gegeefd
e)
Ik heb gegeeft
16.
J'ai eu
a)
Ik heb gehad
b)
Ik ben gehad
c)
Ik hed geheeft
d)
Ik ben geheefd
e)
Ik heb gehebben
17.
J'ai aidé
a)
Ik heb geholpen
b)
Ik ben geholpen
c)
Ik heb gehelpt
d)
Ik ben gehelpt
e)
Ik ben gehelpen
18.
J'ai aimé
a)
Ik heb gehouden van...
b)
Ik ben gehouden van…
c)
Ik heb gehoud van…
d)
Ik ben gehoud van…
e)
Ik heb gehield van…
19.
J'ai choisi
a)
Ik heb gekozen
b)
Ik ben gekozen
c)
Ik heb gekiest
d)
Ik ben gekiest
e)
Ik ben gekiesd
20.
J'ai regardé
a)
Ik heb gekeken
b)
Ik ben gekeken
c)
Ik heb gekijkt
d)
Ik heb gekijken
e)
Ik ben gekijken
21.
J'ai escaladé
a)
Ik heb geklommen
b)
Ik ben geklommen
c)
Ik heb geklimd
d)
Ik ben gekimd
e)
Ik ben geklimmen
22.
Je suis venu
a)
Ik ben gekomen
b)
Ik heb gekomen
c)
Ik ben gekoomt
d)
Ik ben gekomd
e)
Ik heb gekomt
23.
J'ai acheté
a)
Ik heb gekocht
b)
Ik ben gekocht
c)
Ik heb gekoopt
d)
Ik ben gekoopt
e)
Ik ben gekopen
24.
J'ai reçu
a)
Ik heb gekregen
b)
Ik ben gekregen
c)
Ik heb gekrijgen
d)
Ik heb gekreeg
e)
Ik ben gekreegt
25.
J'ai lu
a)
Ik heb gelezen
b)
Ik ben gelezen
c)
Ik heb geleesd
d)
Ik ben geleesd
e)
Ik ben gelazen
26.
J'ai couru
a)
Ik heb gelopen
b)
Ik ben gelopen
c)
Ik heb geloopt
d)
Ik ben geliepen
e)
Ik heb gelapen
27.
J'ai pris
a)
Ik heb genomen
b)
Ik ben genomen
c)
Ik heb genemen
d)
Ik ben geneemt
e)
Ik heb genamen
28.
J'ai déjeuné
a)
Ik heb ontbeten
b)
Ik ben ontbeten
c)
Ik heb ontgebeten
d)
Ik heb ontgebijten
e)
Ik ben geontbeet
29.
Je me suis levé
a)
Ik ben opgestaan
b)
Ik heb opgestaan
c)
Ik ben geopstaan
d)
Ik heb geopstaat
e)
Ik ben opstaan
30.
J'ai traversé
a)
Ik ben overgestoken
b)
Ik heb overgestoken
c)
Ik heb overstoken
d)
Ik ben oversteekt
e)
Ik ben overtoken
31.

J'ai crié

a)

Ik heb geroepen

b)

Ik ben geroepen

c)

Ik heb geroept

d)

Ik ben geroepd

e)

Ik heb geroopen

32.

J'ai écrit

a)

Ik heb geschreven

b)

Ik ben geschreven

c)

Ik ben geschrijft

d)

Ik ben geschrijfd

e)

Ik heb geschrijven

33.

J'ai dormi

a)

Ik heb geslapen

b)

Ik ben geslapen

c)

Ik heb geslaapt

d)

Ik ben geslaapd

e)

Ik ben gesloepen

34.

J'ai fermé

a)

Ik heb gesloten

b)

Ik ben gesloten

c)

Ik heb gesluit

d)

Ik ben gesluiten

e)

Ik ben gesluitten

35.

J'ai coupé

a)

Ik heb gesneden

b)

Ik ben gesneden

c)

Ik ben gesnijden

d)

Ik heb gesnijdt

e)

Ik ben gesneed

36.

J'ai parlé

a)

Ik heb gesproken

b)

Ik ben gesproken

c)

Ik ben gespreekt

d)

Ik heb gespreken

e)

Ik ben gespreekd

37.

J'ai sauté

a)

Ik heb gesprongen

b)

Ik ben gesprongen

c)

Ik ben gespringen

d)

Ik ben gespringd

e)

Ik heb gespringen

38.

J'ai volé

a)

Ik heb gestolen

b)

Ik ben gestolen

c)

Ik ben gestoolt

d)

Ik heb gestoold

e)

Ik heb gestelen

39.

Je suis tombé

a)

Ik ben gevallen

b)

Ik heb gevallen

c)

Ik heb gevald

d)

Ik ben gevoeld

e)

Ik ben gevalen

40.

Je suis parti

a)

Ik ben vertrokken

b)

Ik heb vertrokken

c)

Ik ben vertekken

d)

Ik ben vertrekt

e)

Ik heb vertrekken

41.

J'ai trouvé

a)

Ik heb gevonden

b)

Ik ben gevonden

c)

Ik ben gevinden

d)

Ik heb gevinden

e)

Ik ben gevindt

42.

J'ai demandé

a)

Ik heb gevraagd

b)

Ik ben gevraagd

c)

Ik heb gevragen

d)

Ik heb gevraagt

e)

Ik ben gevragen

43.

J'ai lavé

a)

Ik heb gewassen

b)

Ik ben gewassen

c)

Ik heb gewast

d)

Ik ben gewasd

e)

Ik ben gewoesten

44.

J'ai gagné

a)

Ik heb gewonnen

b)

Ik ben gewonnen

c)

Ik heb gewind

d)

Ik ben gewinden

e)

Ik heb gewinnen

45.

J'ai dit

a)

Ik heb gezegd

b)

Ik ben gezegd

c)

Ik heb gezeggen

d)

Ik ben gezegt

e)

Ik heb gezegden

46.

J'ai vu

a)

Ik heb gezien

b)

Ik ben gezien

c)

Ik heb gezied

d)

Ik ben geziennen

e)

Ik heb gezienen

47.

J'ai été

a)

Ik ben geweest

b)

Ik heb geweest

c)

Ik ben gezijn

d)

Ik heb gezijn

e)

Ik ben gebent

48.

J'ai chanté

a)

Ik heb gezongen

b)

Ik ben gezongen

c)

Ik heb gezingen

d)

Ik heb gezingd

e)

Ik ben gezingen

49.

J'ai cherché

a)

Ik heb gezocht

b)

Ik ben gezocht

c)

Ik heb gezoekt

d)

Ik heb gezoeken

e)

Ik ben gezoekt

50.

J'ai nagé

a)

Ik heb gezwommen

b)

Ik ben gezwommen

c)

Ik ben gezwemt

d)

Ik heb gezwemd

e)

Ik heb gezwemmen