wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling klas 1 dictee

Total questions: 22

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

(worden) Hij ... morgen 13 jaar!

a)

wordt

b)

word

c)

werd

d)

werdt

2.

(lopen t.t.) ... jij elke dag naar huis?

a)

loop

b)

loopt

3.

(vinden) ... je mij nog wel aardig?

a)

vind

b)

vindt

4.

(vinden) Wat ... je vader hiervan?

a)

vindt

b)

vind

5.

(willen t.t.) Ik ... nog wat langer opblijven.

a)

wil

b)

wilt

c)

wild

d)

will

6.

Waar of niet waar: 'de stam is altijd hetzelfde als de ik-vorm'

a)

niet waar

b)

waar

c)

kan allebei

d)

geen van beide

7.

(komen) Waarom ... je gisteren niet op mijn verjaardag?

a)

kwam

b)

kom

c)

kwamen

d)

komen

8.

(bevrijden t.t.) Mijn moeder ... het vogeltje uit de bek van onze kat.

a)

bevrijdt

b)

bevrijd

c)

bevrijdd

d)

bevrijt

9.

(bloeden t.t.) Wanneer ik ..., houd ik niks meer over.

a)

bloed

b)

bloedt

c)

bloet

d)

bloede

10.

(krabben t.t.) De kat ... de krullen van de trap.

a)

krabt

b)

krabd

c)

krab

d)

krabdt

11.

(krabben v.t.) De kat ... de krullen van de trap

a)

krabde

b)

krabte

c)

krabden

d)

krabten

12.

Vul aan: 'in de v.t. komt er -te of -ten bij als de laatste letter van de stam...'

a)

wel in 't Kofschip zit

b)

niet in 't Kofschip zit

c)

beide

d)

geen van beide

13.

Waar of niet waar: 'tobden' is goed.

a)

niet goed; je moet kijken naar de 'e' en die zit wel in 't Kofschip, dus een t

b)

wel goed; je kijkt naar de 'b' en die zit niet in 't Kofschip, dus een d

14.

Zwakke werkwoorden:

a)

veranderen WEL van klank in de v.t.

b)

veranderen NIET van klank in de v.t.

15.

'Lopen' is dus een ...

a)

zwak werkwoord

b)

sterk werkwoord

16.

Bij het ww 'verven'...

a)

verandert de tweede 'v' in een 'f' (verven - verf)

b)

verandert de tweede 'v' niet (verven - verv)

17.

(fietsen vd) Hij had nog nooit op een fiets ...

a)

gefietst

b)

gefietsd

c)

gefiedsd

d)

gefiedst

18.

(dicteren) Mevrouw Katerberg heeft na 8 november zinnen ...

a)

gedicteerd

b)

gedicteert

19.

(bloeden bn) De ... kleren werden meteen gewassen.

a)

bebloede

b)

bebloedde

20.

Waar of niet waar: een nieuwe zin begin je altijd met een hoofdletter.

a)

waar

b)

niet waar

21.

Waar of niet waar: namen van landen, mensen of groepen mensen moeten met hoofdletter.

a)

waar

b)

niet waar

22.

'De Amerikanen', 'de Kelten' en 'de Nederlanders' zijn goed gespeld, waar of niet?

a)

waar

b)

niet waar