wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H1 Vwo 3 (Fi, Wo, Gr, Sp)

Total questions: 30

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Wat wordt doorgaans als kunstvorm gezien?

a)

Literatuur

b)

Lectuur

2.

Wat is geen eigenschap van literatuur?

a)

Origineel taalgebruik

b)

Uniek

c)

Gebeurtenissen centraal

d)

Doel: indruk achterlaten

3.

Is dit boek (waarschijnlijk) literatuur of lectuur?

a)

Literatuur

b)

Lectuur

4.

Wat betekent rekruteren?

a)

Aannemen, in dienst nemen

b)

Een aanval uitvoeren

c)

Veranderen naar, gebruik maken van

d)

Stijf worden van de kou

5.

Wat betekent achteloos?

a)

Soepel, zonder te stoppen

b)

Moedig, heldhaftig

c)

Heel interessant, erg boeiend

d)

Slordig, nonchalant, zonder er goed over na te denken

6.

Welk woord hoort bij de betekenis met grote invloed?

a)

Fenomenaal

b)

Ingrijpend

c)

Frequent

d)

Erudiet

7.

Wat is geen betekenis van complex?

a)

Ingewikkeld

b)

Verschillende gebouwen die bij elkaar horen

c)

Geheel van dingen die bij elkaar horen

d)

Het hebben van negatieve ideeën en gevoelens over jezelf

e)

Geleerd

8.

Wat is geen doel van framing?

a)

De lezer/toehoorder zelf zijn oordeel laten vormen over een kwestie.

b)

De gedachten van de lezer/toehoorder in een bepaalde richting te sturen.

c)

Gewenste associaties over een kwestie aanwakkeren.

d)

De boodschap aan overtuiging doen winnen.

9.

Welke betekenis hoort bij het frame intensieve menshouderij?

a)

Euthanasie

b)

Bejaardentehuizen

c)

Grote hoeveelheid immigranten

d)

Achterstandswijken

10.

In welke van onderstaande zinnen is er sprake van inversie?

a)

De directeur heeft gisteren twintig werknemers ontslagen.

b)

Heeft de directeur gisteren twintig werknemers ontslagen?

c)

Gisteren heeft de directeur twintig werknemers ontslagen.

11.

Bijwoord (bw) of bijvoeglijk naamwoord (bn)?


Dit probleem heeft hij ongelofelijk knap opgelost!

a)

Ongelofelijk = bw, knap = bw

b)

Ongelofelijk = bw, knap = bn

c)

Ongelofelijk = bn, knap = bw

d)

Ongelofelijk = bn, knap = bn

12.

Bijwoord (bw) of bijvoeglijk naamwoord (bn)?


Dat model zal wel erg knap zijn!

a)

Wel = bw, erg = bw, knap = bw

b)

Wel = bw, erg = bw, knap = bn

c)

Wel = bw, erg = bn, knap = bn

d)

Wel = bn, erg = bw, knap = bn

e)

Wel = bn, erg = bw, knap = bw

13.

In welke zin staat een bijwoord van graad?

a)

De aardige lerares werd gisteren nogal boos.

b)

Gisteren heeft hij een mooi liedje gezongen.

c)

Ga nou maar gauw!

d)

Meestal vindt zij spaghetti lekker.

14.

Hoeveel bijwoorden staan er in onderstaande zin?


Waarom gaat hij vanavond niet naar de voorstelling van de cabaretier, als hij zo erg van harde grappen houdt?

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

e)

6

15.

Hoeveel tussenwerpsels staan er in onderstaande zin?


Nou, dat was niet bepaald een vlekkeloos optreden, hè?

a)

0

b)

1

c)

2

d)

3

16.

Wat is het kernwoord van het onderstreepte zinsdeel?


De zoon van de bakker op de hoek is morgen jarig.

a)

Zoon

b)

Bakker

c)

Hoek

17.

Hoeveel bijvoeglijke bepalingen staan er in onderstaande zin?


Dat uitverkochte concert van gisterenavond werd door tientallen critici lovend beoordeeld.

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

e)

6

18.

Hoeveel bijvoeglijke bepalingen (incl. eventuele bijstellingen) staan er in onderstaande zin?


Joost en Petra, de buren, hebben hun kinderen, Tom en Fleur, opgegeven voor een talentenjacht.

a)

0

b)

1

c)

2

d)

3

e)

4

19.

Wat zijn de woordsoorten van de onderstreepte woorden?


Einstein zal voor altijd als een briljant wetenschapper worden herinnerd.

a)

Einstein = psv, worden = hww

b)

Einstein = psv, worden = kww

c)

Einstein = psv, worden = zww

d)

Einstein = zn, worden = kww

e)

Einstein = zn, worden = hww

20.

Wat is de woordsoort van het onderstreepte woord?


Volgens sommige politici moet de belasting omhoog.

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Bijwoord

c)

Telwoord

d)

Onbepaald voornaamwoord

e)

Aanwijzend voornaamwoord

21.

Sommige woorden kunnen meerdere woordsoorten hebben, afhankelijk van hun functie in de zin. Wat is de functie van dat in onderstaande zinnen?


1 Hij vond dat het mijn schuld was.

2 Het hondje dat daar loopt, is van mij.

3 Ik heb gisterenavond dat meisje gezoend.

a)

1 = voegwoord, 2 = betrekkelijk voornaamwoord, 3 = aanwijzend voornaamwoord

b)

1 = betrekkelijk voornaamwoord, 2 = aanwijzend voornaamwoord, 3 = bezittelijk voornaamwoord

c)

1 = voegwoord, 2 = bezittelijk voornaamwoord, 3 = aanwijzend voornaamwoord

d)

1 = voorzetsel, 2 = betrekkelijk voornaamwoord, 3 = aanwijzend voornaamwoord

22.

Wanneer gebruik je in principe een komma?


Meerdere antwoorden mogelijk!

a)

Tussen bijvoeglijke naamwoorden

b)

Bij aansprekingen

c)

Tussen twee persoonsvormen

d)

Voor voegwoorden

23.

In welke zin staan de aanhalingstekens correct?

a)

'Sjoerd,' vroeg Lotte, 'waarom ga jij nooit naar de sportschool?'

b)

'Sjoerd', vroeg Lotte, 'waarom ga jij nooit naar de sportschool?'

c)

'Sjoerd', vroeg Lotte', waarom ga jij nooit naar de sportschool?'

d)

'Sjoerd,' vroeg Lotte', waarom ga jij nooit naar de sportschool?

24.

In welke zin staan de leestekens correct?

a)

'Ik vind dat zo'n lief attent meisje', zei Nina.

b)

'Ik vind dat zo'n lief, attent meisje', zei Nina.

c)

'Ik vind dat zo'n lief, attent meisje,' zei Nina.

d)

Ik vind dat zo'n lief, attent meisje, 'zei Nina.'

e)

'Ik vind dat zo'n lief attent meisje, 'zei Nina'.

25.

In welke zin staan de leestekens correct?

a)

'Het was echt supervet!' riep Menno uit.

b)

'Het was echt supervet!', riep Menno uit.

c)

'Het was echt supervet,' riep Menno uit!

d)

'Het was echt supervet!,' riep Menno uit.

e)

'Het was echt supervet!' riep Menno uit

26.

Hoeveel komma's moet je in onderstaande zin plaatsen?


'Nou als je dat wilt weten moet je het opzoeken in die mooie nieuwe encyclopedie Anton ' zei Lisa tegen haar broertje.

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

e)

6

27.

Wat is dit?

a)

Cappuccino

b)

Capuccino

c)

Cappucino

d)

Capucino

e)

Kapoetjieno

28.

Welke schrijfwijze is correct?

a)

Exeem

b)

Exzeem

c)

Eczeem

d)

Ecseem

e)

Exczeem

29.

Wat is deze man aan het doen?

a)

Tatoeëren

b)

Tattoeëren

c)

Tatooëren

d)

Tattooëren

e)

Tatoëren

30.

Welke zin is correct geschreven?

a)

Ik geef mijn moeder op moederdag een moederdagcadeau.

b)

Ik geef mijn moeder op Moederdag een Moederdagcadeau.

c)

Ik geef mijn moeder op Moederdag een moederdagcadeau.

d)

Ik geef mijn moeder op Moederdag een Moederdagkado.

e)

Ik geef mijn moeder op Moederdag een moederdagkado.