wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal Actief 7 - Thema 2 - alle woorden

Total questions: 41

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Heel erg arm.

a)

straatarm

b)

vermogend

c)

afwijzend

d)

welwillend

e)

de geul

2.

Erg rijk.

a)

straatarm

b)

vermogend

c)

afwijzend

d)

welwillend

e)

de geul

3.

Ergens negatief tegenover staan.

a)

straatarm

b)

vermogend

c)

afwijzend

d)

welwillend

e)

de geul

4.

Ergens positief tegenover staan.

a)

straatarm

b)

vermogend

c)

afwijzend

d)

welwillend

e)

de geul

5.

Een smalle langwerpige uitholling waar water door stroomt.

a)

straatarm

b)

vermogend

c)

afwijzend

d)

welwillend

e)

de geul

6.

Een zoutwatervis.

a)

de makreel

b)

aan de aandacht ontsnappen

c)

ergens de dupe van zijn

d)

het transportbedrijf

e)

de algen

7.

Als je iets niet hoort of ziet.

a)

de makreel

b)

aan de aandacht ontsnappen

c)

ergens de dupe van zijn

d)

het transportbedrijf

e)

de algen

8.

Ergens het slachtoffer van zijn.

a)

de makreel

b)

aan de aandacht ontsnappen

c)

ergens de dupe van zijn

d)

het transportbedrijf

e)

de algen

9.

Een bedrijf dat goederen vervoert.

a)

de makreel

b)

aan de aandacht ontsnappen

c)

ergens de dupe van zijn

d)

het transportbedrijf

e)

de algen

10.

Planten met stengels en sprieten die in het water groeien.

a)

de makreel

b)

aan de aandacht ontsnappen

c)

ergens de dupe van zijn

d)

het transportbedrijf

e)

de algen

11.

Iets waarvan je denkt dat het niet goed is of niet klopt.

a)

dubieus

b)

het bedrog

c)

de kick

d)

de vrijwilliger

12.

Iets dat met opzet vals of oneerlijk is.

a)

dubieus

b)

het bedrog

c)

de kick

d)

de vrijwilliger

13.

Een prettig, opwindend gevoel.

a)

dubieus

b)

het bedrog

c)

de kick

d)

de vrijwilliger

14.

Iemand die werk doet zonder ervoor betaald te krijgen.

a)

dubieus

b)

het bedrog

c)

de kick

d)

de vrijwilliger

15.

Ontspannen, rustig.

a)

relaxed

b)

opgewonden

c)

de riem

d)

de haal

16.

Druk en zenuwachtig. Niet rustig.

a)

relaxed

b)

opgewonden

c)

de riem

d)

de haal

17.

Een roeispaan. Een stok met aan een kant een plat gedeelte.

a)

relaxed

b)

opgewonden

c)

de riem

d)

de haal

18.

De beweging die de riem van een roeiboot door het water maakt.

a)

relaxed

b)

opgewonden

c)

de riem

d)

de haal

19.

Het platte gedeelte van een riem of roeispaan.

a)

het roeiblad

b)

de oppepper

c)

overtollig

d)

elders

e)

het wrak

20.

Iets doen of krijgen waar je heel enthousiast van wordt.

a)

het roeiblad

b)

de oppepper

c)

overtollig

d)

elders

e)

het wrak

21.

Meer dan nodig is.

a)

het roeiblad

b)

de oppepper

c)

overtollig

d)

elders

e)

het wrak

22.

Ergens anders.

a)

het roeiblad

b)

de oppepper

c)

overtollig

d)

elders

e)

het wrak

23.

De resten van een boot, auto of vliegtuig na een ongeluk.

a)

het roeiblad

b)

de oppepper

c)

overtollig

d)

elders

e)

het wrak

24.

Zachtjes op en neer bewegen door de golven.

a)

deinen

b)

onverbiddelijk

c)

uit de hand lopen

d)

in toom houden

e)

de invitatie

25.

Streng. Als je een beslissing hebt genomen en je verandert die niet meer.

a)

deinen

b)

onverbiddelijk

c)

uit de hand lopen

d)

in toom houden

e)

de invitatie

26.

Het gaat helemaal mis. Je kunt het niet meer controleren.

a)

deinen

b)

onverbiddelijk

c)

uit de hand lopen

d)

in toom houden

e)

de invitatie

27.

Onder controle houden.

a)

deinen

b)

onverbiddelijk

c)

uit de hand lopen

d)

in toom houden

e)

de invitatie

28.

Een formeel woord voor uitnodiging.

a)

deinen

b)

onverbiddelijk

c)

uit de hand lopen

d)

in toom houden

e)

de invitatie

29.

Heel blij, tevreden.

a)

opgetogen

b)

chagrijnig

c)

ten kosten van

d)

ten bate van

30.

Niet blij, mopperend.

a)

opgetogen

b)

chagrijnig

c)

ten kosten van

d)

ten bate van

31.

Als iemand ergens nadeel van heeft.

a)

opgetogen

b)

chagrijnig

c)

ten koste van

d)

ten bate van

32.

Als iemand ergens voordeel van heeft.

a)

opgetogen

b)

chagrijnig

c)

ten koste van

d)

ten bate van

33.

Het reizen voor je plezier, bijvoorbeeld om steden en landen te bezoeken.

a)

het toerisme

b)

verbinden

c)

oorspronkelijk

d)

ondervinden

e)

ontiegelijk

34.

Aan elkaar vastmaken van meerdere dingen, mensen of zaken.

a)

het toerisme

b)

verbinden

c)

oorspronkelijk

d)

ondervinden

e)

ontiegelijk

35.

In het begin, eerst.

a)

het toerisme

b)

verbinden

c)

oorspronkelijk

d)

ondervinden

e)

ontiegelijk

36.

Meemaken, ervaren.

a)

het toerisme

b)

verbinden

c)

oorspronkelijk

d)

ondervinden

e)

ontiegelijk

37.

Enorm.

a)

het toerisme

b)

verbinden

c)

oorspronkelijk

d)

ondervinden

e)

ontiegelijk

38.

Wat je gebruikt om iets gemakkelijker te kunnen doen.

a)

het hulpmiddel

b)

de creativiteit

c)

onder de knie hebben

d)

van de baan zijn

39.

Dit hebben mensen die nieuwe of mooie dingen kunnen bedenken of maken.

a)

het hulpmiddel

b)

de creativiteit

c)

onder de knie hebben

d)

van de baan zijn

40.

Weten hoe iets moet.

a)

het hulpmiddel

b)

de creativiteit

c)

onder de knie hebben

d)

van de baan zijn

41.

Niet doorgaan.

a)

het hulpmiddel

b)

de creativiteit

c)

onder de knie hebben

d)

van de baan zijn