wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

P1 MH1 - Oefenen voor proefwerk over H1

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Wat is GEEN middel van bestaan?

a)

Jagen en verzamelen

b)

Landbouw

c)

Handel

d)

Nomadisch bestaan

2.

Welk begrip past bij deze omschrijving:


Een wetenschapper (= onderzoeker) die door middel van opgravingen uit voorwerpen meer te weten probeert te komen over oude culturen.

a)

Archeoloog

b)

Historicus

c)

Filosoof

d)

Antropoloog

3.

Bekijk de afbeelding.


Hoort deze bron bij de prehistorie of historie?

a)

Prehistorie

b)

Historie

4.

Wat voor soort bron zie je op de afbeelding?


(Bron: grotschilderingen van Lascaux)

a)

Een geschreven, directe bron

b)

Een ongeschreven, directe bron

c)

Een geschreven, indirecte bron

d)

Een ongeschreven indirecte bron

5.

Hoe heet het schrift van de oude Egyptenaren?

a)

Hiërogliefenschrift

b)

Spijkerschrift

c)

Latijnse alfabet

d)

Het geschrift

6.

Welk begrip past bij deze omschrijving:


Het proces waardoor het lichaam van een mens of dier zeer goed bewaard blijft.

a)

Evolueren

b)

Behouden

c)

Vergaan

d)

Mummificeren

7.

Welk kenmerk past NIET bij de manier van leven van jagers-verzamelaars?

a)

Leven in grote groepen

b)

Rondtrekken van plaats naar plaats

c)

Jagen, vissen en verzamelen

d)

Grottekeningen

8.

Juist of onjuist:


De landbouwrevolutie kon ontstaan dankzij het stijgen van de temperatuur rond 11.000 v.Chr.

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

Wat is GEEN gevolg van de landbouwrevolutie?

a)

De mensen gingen in stevige huizen wonen op een vaste woonplek

b)

Er ontstonden dorpen

c)

Niet iedereen hoefde meer boer te zijn, omdat er uiteindelijk heel veel voedsel was

d)

Het belangrijkste middel van bestaan was jagen en vissen

10.

Juist of onjuist:


Irrigatielandbouw was een ingewikkeld systeem. Boeren moesten hiervoor goed samenwerken. Er kwam daarom een bestuur om goede afspraken te maken en om ervoor te zorgen dat de afspraken werden nagekomen.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Dankzij de irrigatielandbouw was de voedselopbrengst heel hoog. Niet iedereen hoefde meer boer te zijn. Sommige mensen gingen een ambacht doen.


Welk gevolg hebben deze ontwikkelingen?

a)

Er ontstaan steden

b)

Het klimaat veranderde

c)

Mensen hoefden niet meer rond te trekken

d)

Ruilhandel was nog het enige middel van bestaan

12.

In welk rijtje staan de sociale lagen op volgorde van meest belangrijk naar minst belangrijk?

a)

Boeren, ambachtslieden, priesters en farao

b)

Farao, priesters, boeren, slaven

c)

Farao, ambachtslieden, ambtenaren, boeren

d)

Priesters, boeren, ambachtslieden, slaven

13.

Waar werden de eerdere farao's van Egypte begraven?

a)

Piramides

b)

Vallei der koningen

14.

Wat is GEEN kenmerk van de Egyptische godsdienst?

a)

Egyptenaren geloofden in leven na de dood

b)

Er werden offers gebracht aan de goden

c)

Ambtenaren hadden de taak om de Egyptenaren in contact te brengen met de goden

d)

Egyptenaren hadden natuurgoden

15.

Op de bron (zie afbeelding) zie je een kleitablet uit 500-700 v.Chr.


Wat voor soort bron is dit?

a)

Een ongeschreven, directe bron

b)

Een ongeschreven, indirecte bron

c)

Een geschreven, directe bron

d)

Een geschreven, indirecte bron