wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling na herfstvakantie C6

Total questions: 63

Worksheet time: 49mins

Name
Class
Date
1.

Wat is dit?

a)

de bak

b)

het boek

c)

de bek

d)

de beuk

2.
- Wat is uw ... ?
- Ik ben Amerikaan. 
a)
land
b)
nationaliteit
c)
hoofdstad
d)
adres
3.

ONDERWERP -> Meryem krijgt een cadeautje voor haar verjaardag.

a)

krijgt

b)

Meryem

c)

een cadeautje

d)

verjaardag

4.

ONDERWERP -> Het blonde meisje vraagt iets in de klas.

a)

Het meisje

b)

Het blonde meisje

c)

Meisje

d)

vraagt

5.

Wat is dit?

a)

de klus

b)

de klos

c)

de kles

d)

de klas

6.
- Uit welk ... komt u?
- Uit Ghana. 
a)
land
b)
nationaliteit
c)
hoofdstad
d)
stad
7.

PV -> De vriend van Toon woont in een appartement.

a)

De vriend

b)

De vriend van Toon

c)

woont

d)

in een appartement

8.

ONDERWERP -> Thijs en Maarten spelen gitaar.

a)

Thijs

b)

Maarten

c)

Thijs en Maarten

d)

Meneer thijs en maarten

9.

PV -> Leest Otje een leuk boek?

a)

Leest

b)

Otje

c)

een

d)

leuk boek

10.
Mijn ... is Antwerpen. 
a)
wonen
b)
plaats
c)
huis
d)
woonplaats
11.
- Wanneer ben jij ... ?
- Op 9 januari 2003.
a)
geboortedatum
b)
datum
c)
geboren
d)
baby
12.

ONDERWERP -> Die dikke man loopt elke dag in het park.

a)

man

b)

Die man

c)

Die dikke man

d)

loopt

13.

PV -> De mooie vrouw rookt een sigaret.

a)

De mooie vrouw

b)

vrouw

c)

rookt

d)

een sigaret

14.

Welke zin is juist?

a)

Jij kijken op de computer.

b)

Jij kijk op de computer.

c)

Jij kijkt op de computer.

d)

Jij kijkt de computer.

15.

Welke zin is juist?

a)

U kijken in de kast.

b)

U kijk in de kast.

c)

U kijkt in de kast.

d)

U kijkt de kast.

16.

PV -> Doe jij het blikje in de vuilnisbak?

a)

jij

b)

Doe

c)

het blikje

d)

in de vuilnisbak

17.

ONDERWERP -> Jij en je zus gamen op de Playstation.

a)

Jij

b)

je zus

c)

gamen

d)

Jij en je zus

18.

Welke zin is juist?

a)

Ik kijken naar het bord.

b)

Ik kijk naar het bord.

c)

Ik kijkt naar het bord.

d)

Ik kijk het bord.

19.
Ik ... drie kinderen. 
a)
hebt
b)
heeft
c)
heb
d)
hebben
20.

Welke zin is juist?

a)

Hij kijken door het raam.

b)

Hij kijk door het raam.

c)

Hij kijkt door het raam.

d)

Hij kijkt het raam.

21.
Ik ... op zondag met een taxi.
a)
rijden
b)
rijd
c)
auto
d)
stuur
22.
Ik ... graag informatie. 
a)
kan
b)
leer
c)
wil
d)
ben
23.

Welke zin is juist?

a)

Zij kijken met haar ogen open.

b)

Zij kijk met haar ogen open.

c)

Zij kijkt met haar ogen open.

d)

Zij kijkt met haar ogen dicht.

24.

Het is een dier. Het heeft 4 poten. Het miauwt. Wat is het?

a)

Het is een paard.

b)

Het is een eend.

c)

Het is een vis.

d)

Het is een kat.

25.
Ik ... al vier maanden in België. 
a)
wonen
b)
woont
c)
woon
d)
blijven
26.

Welke zin is juist?

a)

Jullie kijken in het rond.

b)

Jullie kijk in het rond.

c)

Jullie kijkt in het rond.

d)

Jullie kijken het rond.

27.

PV -> De man en de vrouw trouwen in de kerk.

a)

De man en de vrouw

b)

trouwen

c)

in de kerk

d)

De man

28.

Het is een stuk fruit. Het is geel. Het is ovaal. Het is zuur. Wat is het?

a)

Het is een banaan.

b)

Het is een citroen.

c)

Het is een taart.

d)

Het is yoghurt.

29.

Welke zin is juist?

a)

Zij kijken samen naar de televisie.

b)

Zij kijk samen naar de televisie.

c)

Zij kijkt samen naar de televisie.

d)

Zij kijken samen de televisie.

30.
- Waar ... u?
- In Oostende. 
a)
wonen
b)
woon
c)
woont
d)
wont
31.

Wat is dat?

a)

Dat is een banana.

b)

Dat is een banaan.

c)

Dat is een banan.

d)

Dat is een banane.

32.

Wat is dit?

a)

de patlaad

b)

het putluud

c)

de petleed

d)

het potlood

33.
- Hoe ... u ?
- Pieter-Jan Declerck.
a)
heet
b)
naam
c)
bent
d)
is
34.

Welke vraagzin is juist?

a)

Kijk wij naar het voetbal?

b)

Wij kijken naar het voetbal?

c)

Kijken wij naar het voetbal?

d)

Kijken wij het voetbal?

35.
Kan ik u ... ?
a)
spellen
b)
rijden
c)
vragen
d)
helpen
36.

Welke zin is juist?

a)

Jij spelt met de bal.

b)

Jij spelen met de bal.

c)

Jij speelt met de bal.

d)

Jij spel met de bal.

37.

Wat is dat?

a)

Dat is een mur.

b)

Dat is een moer.

c)

Dat is een muur.

d)

Dat is een muir.

38.

Welke zin is juist?

a)

Zij speelen samen in de tuin.

b)

Zij spelen samen in de tuin.

c)

Zij spel samen in de tuin.

d)

Zij spelt samen in de tuin.

39.

Wat is dat?

a)

Dat is een kep.

b)

Dat is een hond

c)

Dat is een eend.

d)

Dat is een kip.

40.
Ik wil ... informatie over de voetbalclub. 
a)
graag
b)
kan
c)
zoek
d)
leer
41.
- Wat is uw ... ?
- 18 september 1984
a)
woonplaats
b)
geboortedatum
c)
nationaliteit
d)
naam
42.

Wat is dit?

a)

pan

b)

pen

c)

pin

d)

pon

43.
Wat is dit?
a)
het bord
b)
het raam
c)
de deur
d)
de leraar
44.
Wat is dit?
a)
een muis
b)
een huis
c)
een luis
d)
een buis
45.
Wat is dit?
a)
de deur
b)
het raam
c)
de tafel
d)
de kast
46.
Wat is dit?
a)
een gom
b)
een pen
c)
een lat
d)
een map
47.
Wat is dit?
a)
een kast
b)
een tafel
c)
een stoel
d)
een computer
48.
Wat is dit?
a)
een lat
b)
een map
c)
een pen
d)
een gom
49.
Wat is dit?
a)
een perforator
b)
een pen
c)
een lat
d)
een muis
50.
Wat is dit?
a)
een rugzak
b)
een vuilniszak
c)
een asbak
d)
een rotzak
51.
Wat is dit?
a)
een stoel
b)
een tafel
c)
een klok
d)
een scherper
52.
Wat is dit?
a)
een tafel
b)
een stoel
c)
een kast
d)
een wafel
53.

De buren .................. een hond.

a)

heb

b)

hebt

c)

hebben

d)

heeft

54.

De lerares ................. ziek.

a)

ben

b)

bent

c)

is

d)

zijn

55.

Jullie ................... goede studenten.

a)

ben

b)

bent

c)

is

d)

zijn

56.

Jij ............... heel lief.

a)

ben

b)

bent

c)

is

d)

zijn

57.

De leraar .................. geen auto.

a)

heb

b)

hebt

c)

heeft

d)

hebben

58.

Hij ................. te laat.

a)

ben

b)

bent

c)

is

d)

zijn

59.

Hij ................. te laat.

a)

ben

b)

bent

c)

is

d)

zijn

60.

Mijn broer .............. een vriendin.

a)

heeft

b)

is

c)

hebt

d)

bent

61.

Mijn kinderen ........................ de afwas gedaan.

a)

zijn

b)

heeft

c)

hebben

d)

is

62.

Jij ...................... twee schattige dochters.

a)

heeft

b)

bent

c)

heb

d)

hebt

63.

....................... jij naar dat feest geweest?

a)

Bent

b)

Hebt

c)

Ben

d)

Heb