wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Arm & Rijk, Slavernij

Total questions: 54

Worksheet time: 51mins

Name
Class
Date
1.

Hoe meet je welvaart?

a)

Door te kijken naar de gemiddelde inkomen in een land.

b)

Door te kijken naar de gemiddelde inkomen per persoon in een land.

c)

Door te kijken naar de hoeveelheid mensen die werken in de informele sector in een land.

d)

Door te kijken naar de hoeveelheid mensen die werken in de formele sector in een land.

2.

De armoedegrens geeft aan hoeveel geld je elke dag minsten nodig hebt voor...

a)

...eten, een dak boven je hoofd en scholing.

b)

...eten, scholing en medicijnen.

c)

...eten, een dak boven je hoofd en kleren.

d)

...eten, kleren en scholing.

3.

Wat hoort NIET bij welzijn?

a)

Levensverwachting

b)

Koopkracht

c)

Alfabetiseringsgraad

d)

BBP

4.

Bekijk het plaatje. Welk begrip hoort hierbij?

a)

Regionale ongelijkheid.

b)

Welvaartsverschil

c)

Welzijnsverschil

d)

Sociale ongelijkheid

5.

Voor welke producten werden slaven geruild in Afrika?

a)

Katoen

b)

Wapens en drank

c)

Eten en drinken

d)

Kleding

6.

Was slavernij al bekend in Afrika?

a)

Ja

b)

Nee

7.

Wat is geen manier van slaven straffen?

a)

Zweepslagen

b)

Been af hakken

c)

Aan een vleeshaak ophangen

d)

Kieteldood

8.

Waarom gingen zoveel slaven dood tijdens de reis naar Amerika?

a)

Ze werden vermoord door de schippers

b)

Veel schepen gingen verloren door storm op zee

c)

Er waren slechte omstandigheden voor slaven

d)

Er gingen niet zoveel slaven dood tijdens de reis

9.

Deed Nederland mee met de slavenhandel?

a)

Ja

b)

Nee

10.

Hoe noem je de mensen die tegen slavernij zijn?

a)

Abolitionisten

b)

Liberalen

c)

Bataven

11.
Waardoor werd de slavenhandel afgeschaft?
a)
Doordat slaven wegliepen
b)
Doordat er steeds meer protest kwam
c)
Doordat slaven in opstand kwamen
d)
Doordat Europa de slavenhandel verbood
12.
Waar betaalden Nederlanders de slaven van?
a)
Geld
b)
Wapens en drank
c)
Suiker
d)
Tabak
13.
In welk jaar kwam de slavernij in Nederland tot een eind?
a)
1763
b)
1863
c)
1963
14.
Wat is een gevolg voor Afrika van de uitbreiding van de slavenhandel
a)
Grote gebieden in Afrika raakten ontvolkt
b)
Afrika had nu geen slven meer voor eigen gebruik
c)
Indianen voelden zich achtergesteld
15.

Welk volk leefde in het huidige Peru?

a)

Inca's

b)

Azteken

c)

Maya's

16.

Hoe kwam het dat de prijzen voor luxegoederen (specerijen, zijde) erg duur waren?

a)

In Azië waren de goederen al heel duur, dus in Europa nog duurder

b)

Door de lange reis over land en de vele tussenhandelaren werd de prijs steeds duurder

c)

Er moest veel belasting over betaald worden

d)

Doordat de goederen werden vervoerd door kamelen

17.

Waarom zochten Europeanen eind 15e eeuw naar nieuwe handelsroutes over zee? Er zijn twee antwoorden juist

a)

Omdat de luxegoederen via de Arabische handelaren erg duur waren en moeilijk te verkrijgen. Bovendien was het Osmaanse Rijk een struikelblok.

b)

Omdat Azië niet meer wilde leveren aan de Arabische handelaren omdat ze de luxeproducten voor zichzelf wilden houden

c)

Europese koningen wilden een nieuw avontuur en hadden nu genoeg geld om te investeren

d)

Door betere schepen en vooruitgang op gebied van navigatie konden de Europeanen verdere afstanden over zee afleggen

18.

Wie maakte deze reis en in welk jaar?

a)

Bartholomeus Diaz in 1519

b)

Columbus in 1492

c)

Vasco da Gama in 1498

d)

Cornelis de Houtman in 1594

19.

Waarom wilden de Spanjaarden via het westen naar India?

a)

De route om Afrika was in handen van de Portugezen, dus daar konden ze niet langs. Nu konden zij een nieuwe route ontdekken en opeisen en tegelijk profiteren van de handel in Azië

b)

De route om Afrika was nog niet ontdekt, dus gingen ze eerste via het westen om die route op te eisen en toch meer te kunnen doen aan de winstgevende handel in Azië

c)

Ze durfden niet om Afrika te varen, omdat daar de stormkaap was. Daar waren hevige stormen en vergingen veel schepen

20.
Spanjaarden hadden in Amerika slaven nodig voor
a)
handel en plantages
b)
ambacht en plantages
c)
mijnbouw en plantages
d)
alleen voor plantages
21.
Een ander woord voor levensomstandigeheden is .....
a)
Welvaart
b)
Welzijn
22.
Rijke landen zijn .....
a)
centrumlanden
b)
semperifere landen
c)
perifere landen
23.

Wat zijn de BRIC-landen?

a)

Brazilië - Roemenië - India - China

b)

Brazilië - Rusland - Indonesië - China

c)

Brazilië - Rusland - India - China

d)

Brazilië - Rusland - India - Colombia

24.

Wat voor land is Nederland?

a)

Koploper

b)

Volger

c)

Achterblijver

25.

Welke sector zie je hier?

a)

Primaire sector

b)

Secundaire sector

c)

Tertiaire sector

26.

De verschillen tussen rijke en arme gebieden binnen een land noem je..?

a)

Regionale ongelijkheid

b)

Welvaart

c)

Welzijn

d)

Multinationals

27.
Wat is de aanleiding voor de ontdekkingsreizen?
a)
Uitschakelen van de tussenhandel
b)
Verspreiden van het christendom
c)
Uitbreiden van het grondgebied door de vorsten
d)
De uitvinding van het kompas
28.
Welke ontdekkingsreiziger verovert het rijk van de Azteken?
a)
Hernan Cortes
b)
Vasco da Gama
c)
Diego Velazquez
d)
La Malinche
29.
Waar leefden de Azteken?
a)
Huidige Chili
b)
Huidige Mexico
c)
Huidige Brazilie
d)
Huidige Suriname
30.
Wat is een onbedoeld gevolg van de verovering van Amerika?
a)
Verspreiding van ziektes
b)
Veroveren van grote stukken land
c)
Het winnen van goud en zilver
d)
Kennis maken met de inheemse bevolking
31.
In welk jaar ontdekt Columbus Amerika?
a)
1340
b)
1492
c)
1588
d)
1601
32.
Wat zijn plantages?
a)
Plantages zijn grote landbouwbedrijven waar één product wordt verbouwd
b)
Plantages zijn grote landbouwbedrijven waar meerdere producten worden verbouwd
c)
Plantages zijn velden waar suiker, cacao en katoen wordt verbouwd
d)
Plantages zijn slavenbedrijven.
33.
Wat was het doel van de Spanjaarden en Portugezen om op ontdekkingsreis te gaan?
a)
Ze wilden zo snel mogelijk de wereld ontdekken
b)
Ze wilden elkaar aftroeven in wie het grootste rijk kon verzamelen
c)
Ze wilden hun religie verspreiden
d)
Ze wilden een nieuwe route ontdekken naar de eilanden waar specerijen groeiden
34.
Welke ontdekkingsreiziger probeerde via de noordelijke route naar India te komen?
a)
Amerigo Vespucci
b)
Willem Barentsz
c)
Ferdinand Magelhaes
d)
Bartholomeus Diaz
35.
Wie heeft voor het eerst India bereikt?
a)
Hendrik de Zeevaarder
b)
Bartolomeu Dias
c)
Columbus
d)
Vasco de Gama
36.
Een gebied buiten het eigen land dat is veroverd en wordt bestuurd door het moederland, noemen we ....
a)
Een kolonie
b)
Een handelspost
c)
Een specerij
d)
Een plantage
37.
Een fort met een haven, pakhuizen en woningen langs de nieuw ontdekte kusten van Azië, Afrika en Zuid-Amerika, noemen we ...
a)
Een kolonie
b)
Een handelspost
c)
Een specerij
d)
Een plantage
38.
Een groot landbouwbedrijf waarop één product werd verbouwd, zoals rietsuiker, koffie of tabak. Noemen we...
a)
Een kolonie
b)
Een handelspost
c)
Een specerij
d)
Een plantage
39.
Wat betekent het woord Renaissance?
a)
Kunst
b)
Wedergeboorte van de Oudheid
c)
Stroming van geleerden
d)
Filosofie
40.
Wat veranderde in de Renaissance met de mentaliteit als je het vergelijkt met de Middeleeuwen?
a)
Mensen waren bezig met de dood
b)
De democratie werd bedacht
c)
De landbouwrevolutie kwam
d)
Mensen waren bezig met het leven op aarde
41.
Hoe heet de beroemde Nederlandse ontdekkingsreiziger die via de Noordelijke IJszee naar Indië wil varen?
a)
Marco Varen
b)
Paul Pietersen
c)
Chris Zegers
d)
Willem Barentsz
42.

Willem Barentsz en zijn bemanning komen vast te zitten in het ijswater van de ijszee.

Ze overwinteren op een enorm eiland. Hoe noemen ze dat eiland?

a)
Nova Scotia
b)
Nova Zembla
c)
Nieuwe Grond
d)
De Noordpool
43.

In welke eeuw begon de renaissance?

a)

13e eeuw

b)

15e eeuw

c)

17e eeuw

d)

18e eeuw

44.

Wat past niet bij het nieuwe mensbeeld van de renaissance?

a)

pluk de dag

b)

aandacht voor het individu

c)

gedenk dat gij zult sterven

d)

genieten van het leven

45.
Hoe heet het huidige tijdvak waar we het nu over hebben?
a)
Tijd van ontdekkers en columbus
b)
Tijd van steden en staten
c)
Tijd van monniken en Ridders
d)
Tijd van ontdekkers en hervormers
46.
Welke beroemde Nederlandse ontdekkingsreiziger probeerde via de Noordelijke IJszee naar Azië te varen?
a)
Vasco da Gama
b)
Willem Barentsz
c)
Paul van Heemschkerk
d)
Piet Hein
47.
Waar kwam Willem Barentsz met zijn bemanning vast te zitten?
a)
Cuba
b)
Nova Zembla
c)
Siberië
d)
Nova Scotia
48.
Met welke beroemde Aztekenleider kreeg Hernan Cortes een conflict?
a)
Montezuma
b)
Little Big Horn
c)
Piazurro
d)
Monto
49.
Welke beroemde Inca stad ligt nog steeds bewaard in de bergen van Peru?
a)
Taj Mahal
b)
Chitzen Itza
c)
Macchu Picchu
d)
El Dorado
50.
Kort na de komst van de Spanjaarden zijn veel indianen gestorven. Noem drie oorzaken.
a)
1. Er ontstond hongersnood onder de Indianen
2. Zij verloren veel schepen omdat de Spanjaarden op zee sterker waren.
3. De Spanjaarden belegerden de Azteekse steden met boogschutters
b)
1. Gevechten met Spanjaarden.
2. Uitputting of mishandeling tijdens slavenarbeid .
3. De gevolgen van besmettelijke ziektes.
51.
Wat deed Cortés korte tijd na de ontmoeting met koning Moctezuma van Tenochtitlan?
a)
Cortés heeft Moctezuma gedood
b)
Cortés ging trouwen met
Moctezuma
c)
Cortés liet Moctezuma gevangennemen.
52.

Wat wordt bedoeld met 'Gebondenheid aan tijd en plaats'?

a)

Je bent met handen en voeten gebonden aan de plaats waar je woont.

b)

Hoe je denkt en wat je van iets vindt, wordt bepaald door de tijd én plaats waarin je leeft.

c)

De tijd waarin je leeft bepaalt hoe je je denkt en voelt

d)

Vroeger kon je nauwelijks reizen omdat er geen goede vervoersmiddelen waren. Dus was je gebonden aan de plaats waar je woonde.

53.

Waarom is het belangrijk om je bewust te zijn van 'gebondenheid aan tijd en plaats'?

a)

Als je historische bronnen bekijkt, moet je hier rekening mee houden. Mensen dachten namelijk vaak anders, omdat ze in een andere tijd en andere plek woonden.

b)

Door te kijken naar waar iemand woonde, en wanneer, weet je ook hoe die wereld eruit zag.

c)

Tijd en plaats zorgen ervoor dat je niet verder kan kijken dan je neus lang is.

d)

Waar en wanneer iemand leefde is niet belangrijk. Zonder kennis daarvan kan je ook historische bronnen lezen.

54.

Welke basisbehoeften zijn belangrijk voor het meten van de welvaart?

a)

Gezondheid, Kleding, Voedsel, Onderwijs.

b)

Onderwijs, Gezondheid, Geld, Kleding.

c)

Gezondheid, Onderwijs, Huisvesting, Voedsel.

d)

Huisvesting, Gezondheid, Internettoegang, Voedsel.