wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Eindexamen begrippen MAVO 4

Total questions: 123

Worksheet time: 1hrs 2mins

Name
Class
Date
1.

A capella

a)

Versnellen

b)

Zingen zonder begeleiding van instrumenten

c)

Lage vrouwenstem

2.

Aanslaan

a)

Speelmanier op de basgitaar, waarbij de duim op de snaren hamert en de vingers aan de snaren plukken

b)

Je plukt met de vingers aan snaren (viool)

c)

Speelmanier: een toon aanslaan, bijvoorbeeld piano

3.

Accelerando

a)

Vertragen

b)

Versnellen

c)

Langzaam

4.

Accent

a)

Benadrukking van een noot. Een accent wordt aangegeven met een > boven of onder de noot

b)

Rustig, wandeltempo

c)

Klanksterkte (volume) van de muziek

5.

Adagio

a)

Snel

b)

Gemiddeld

c)

Langzaam

6.

Afterbeat

a)

Elke beat komt op de tel

b)

Accent op de tweede en vierde tel van de maat. Of een accent na elke tel van de maat

c)

Regelmatige puls of beweging van muziek

7.

Akkoord

a)

Deel met zanger en orkest, waarin emotie wordt geuit.

b)

De ene stem gaat omhoog terwijl de andere stem omlaag gaat

c)

Een groep van 3 of meer tonen die tegelijk (of gebroken, na elkaar) klinken, bijvoorbeeld: c-e-g

8.

Akkoordenschema

a)

Bepaalde volgorde van akkoorden

b)

Een schema met noten en tonen

c)

De manier waarop je tonen speelt, bijvoorbeeld kort of gebonden

9.

Akoestisch

a)

In het muziekstuk verandert de maatsoort

b)

Je speelt de noten na elkaar.

c)

Spelen zonder elektrische versterking

10.

Allegro

a)

Langzaam

b)

Gemiddeld

c)

Snel

11.

Alt

a)

Hoge vrouwenstem

b)

Lage mannenstem

c)

Lage vrouwenstem

12.

Andante

a)

Rustig, wandeltempo

b)

Snel

c)

Gemiddeld

13.

Aria

a)

Jazzorkest met als kerngroepen: trompetten, trombones, saxofoons en de ritmesectie (bas, drums, piano, gitaar)

b)

Deel met zanger en orkest, waarin emotie wordt geuit. Komt voor in oratorium, opera en cantate.

c)

Slot van een muziekstuk

14.

Articulatie

a)

De manier waarop je tonen speelt, bijvoorbeeld kort of gebonden

b)

Klanksterkte (volume) van de muziek

c)

Onderbreking van de groove met een ander ritme

15.

Backing Vocals

a)

De zanger

b)

Een koor dat bestaat uit mannenstemmen en vrouwenstemmen: sopraan, alt, tenor en bas

c)

Achtergrondkoor

16.

Bas (zang)

a)

Hoge mannenstem

b)

Lage vrouwenstem

c)

Lage mannenstem

17.

Beat

a)

Regelmatige puls of beweging van muziek

b)

De band valt stil. Opgevuld met solo van instrument.

c)

Alle partijen zetten dezelfde melodie of thema na elkaar in.

18.

Beatbox

a)

Onderbreking van de groove met een ander ritme

b)

Het volume vermindert

c)

Met de stem nadoen van een drummachine

19.

Begeleiding

a)

Omspeling van een toon, bijvoorbeeld triller

b)

Ondersteuning van de melodie

c)

Partijen zingen of spelen dezelfde melodie, soms met een octaaf verschil.

20.

Bezetting

a)

Alle zangers zingen dezelfde melodie; Alle instrumenten spelen dezelfde melodie

b)

Verdelen van partijen over verschillende instrumenten

c)

De instrumenten en/of stemmen die nodig zijn om een compositie uit te voeren

21.

Big Band

a)

Blaasorkest van koperblazers, saxofoons en slagwerk.

b)

Blaasorkest bestaande uit hout- en koperblazers en slagwerk

c)

Jazzorkest met als kerngroepen: trompetten, trombones, saxofoons en de ritmesectie (drums, bas, gitaar, piano)

22.

Break

a)

De band valt stil. Wordt vaak opgevuld met een solo van een instrument

b)

De klank van instrumenten

c)

Het steeds herhalen van een ritme of melodie

23.

Bridge

a)

Slot van een muziekstuk

b)

Gedeelte van een liedje waarvan de tekst verandert. De melodie blijft hetzelfde. De engelse naam is 'Verse'

c)

Brug die tussen twee refreinen in wordt gezongen. De melodie en tekst zijn anders dan die van het couplet en refrein.

24.

Canon

a)

Steeds harder gaan spelen of zingen

b)

Alle partijen zetten dezelfde melodie of hetzelfde thema na elkaar in

c)

Een melodie of een deel van de muziek komt steeds terug

25.

Chorus

a)

Refrein

b)

Couplet

c)

Verse

26.

Coda

a)

Teken voor de maatsoort van het muziekstuk

b)

Slot van een muziekstuk

c)

Een zanggroep van mannen: tenor en bas

27.

Contrast en Contrastwerking

a)

Grafische partituren waarin zelfbedachte tekens voorkomen

b)

Soort meerstemmigheid, waarbij verschillende partijen (bijna) hetzelfde ritme gelijk spelen of zingen

c)

Ontstaat door het tegenover elkaar stellen of naast elkaar plaatsen van (bijvoorbeeld):

forte / piano

snel/langzaam

28.

Couplet

a)

Chorus

b)

Gedeelte van een liedje waarvan de tekst verandert. De melodie blijft hetzelfde. De engelse naam is 'Verse'

c)

Brug die tussen twee refreinen in wordt gezongen. De melodie en de tekst zijn anders.

29.

Cover, Covers

a)

Een nummer in een nieuwe uitvoering. Bijvoorbeeld door een andere artiest, in een andere sound of als remix

b)

Spelen zonder elektrisch versterkte instrumenten

c)

Ritmisch spreken van tekst

30.

Crescendo, cresc. (afkorting)

a)

Klanksterkte (volume) van de muziek

b)

Steeds zachter gaan spelen of zingen

c)

Steeds harder gaan spelen of zingen

31.

Decrescendo, decresc. (afkorting)

a)

De klanksterkte (volume) van de muziek

b)

Steeds zachter gaan spelen of zingen

c)

Steeds harder gaan spelen of zingen

32.

Driedelige maatsoort

a)

Deze maatsoorten hebben 3 tellen in de maat. De 3/4 maat en de 3/8 maat zijn hier voorbeelden van

b)

In het muziekstuk verandert de maatsoort

c)

Het steeds herhalen van een ritme of melodie

33.

Driekwartsmaat

a)

De maat duurt 3 tellen, de halve noot duurt 1 tel

b)

De maat duurt 3 tellen, de achtste noot duurt 1 tel

c)

De maat duurt 3 tellen, de kwartnoot duurt 1 tel

34.

Driestemmig

a)

De ene partij herhaalt de ander, eventueel op een andere toonhoogte en iets gewijzigd

b)

Meerstemmigheid met drie partijen (stemmen)

c)

Meerstemmigheid waarbij verschillende partijen tegelijkertijd in bijna hetzelfde ritme zingen of spelen

35.

Dynamiek

a)

Klanksterkte (volume) van de muziek

b)

Muziek wordt geleidelijk harder of zachter

c)

Het hele orkest speelt

36.

Eenstemmig

a)

Melodie die tegelijkertijd met de hoofdmelodie klinkt, maar heel anders

b)

Er klinken 2 of meerdere melodieën samen

c)

Alle zangers zingen dezelfde melodie. Alle instrumenten spelen dezelfde melodie

37.

Ensemble

a)

Een koor dat bestaat uit mannenstemmen en vrouwenstemmen: sopraan, alt, tenor, bas

b)

Een groep muzikanten

c)

Een groot orkest

38.

F-Sleutel

a)

Teken dat aangeeft waar de F op de notenbalk staat

b)

Dit teken geeft aan dat je de noot of rust zo lang mag laten doorklinken als je wilt

c)

Teken dat aangeeft waar de G op de notenbalk staat

39.

Fade-out

a)

Tijdens het muziek maken iets bedenken en dat meteen spelen

b)

Matig-sterk

c)

Het volume vermindert aan het eind van het lied

40.

Fanfare-orkest

a)

Blaasorkest bestaande uit hout- en koperblazers en slagwerk

b)

Jazzorkest met als kerngroepen: trompetten, trombones, saxofoons, en de ritmesectie (drums, bas, gitaar, piano)

c)

Blaasorkest van koperblazers, saxofoons en slagwerk

41.

Fermate

a)

In het muziekstuk verandert de maatsoort

b)

Dit teken geeft aan dat je de noot of rust zo lang mag laten doorklinken als je wilt

c)

Korte melodie. Bouwstenen waarmee je een melodie maakt.

42.

Fill

a)

Glijden tussen twee tonen

b)

Een kort, herkenbaar, sterk ritmisch motief dat een aantal keer herhaalt wordt

c)

Onderbreking van de groove met een ander ritme

43.

Forte, f (afkorting)

a)

Sterk

b)

Zacht

c)

Matig-sterk

44.

Fortissimo, ff (afkorting)

a)

Matig - sterk

b)

Zeer sterk

c)

Zeer zacht

45.

G sleutel

a)

Teken dat aangeeft waar de F op de notenbalk staat

b)

Het steeds herhalen van een melodie of ritme

c)

Teken dat aangeeft waar de G op de notenbalk staat

46.

Gemengd koor

a)

Een koor dat bestaat uit mannenstemmen en vrouwenstemmen: sopraan, alt, tenor, bas

b)

Er klinken twee of meer melodieën samen

c)

Muziektheater met gesproken tekst, liedjes, toneel en dans

47.

Glissando

a)

Twee stemmen bewegen in dezelfde richting

b)

Glijden tussen twee tonen

c)

Herhaling van een motief, maar dan hoger of lager

48.

Grafische notatie

a)

Met de hand ritmisch heen en weer bewegen op een plaat (lp)

b)

Je speelt de noten kort

c)

Zelfbedachte tekens om de musicus speelvrijheid te geven.

49.

Harmonie-orkest

a)

Blaasorkest van koperblazers, saxofoon en slagwerk

b)

Blaasorkest bestaande uit hout- en koperblazers en slagwerk

c)

Jaszzorkest met als kerngroepen: trompetten, trombones, saxofoons, en ritmesectie (drums, bas, gitaar, piano)

50.

Herhaling

a)

Een melodie of een deel van de melodie komt steeds terug

b)

Wanneer er kleine veranderingen zijn in bijvoorbeeld de herhaling van een melodie.

c)

Het begin van een noot wordt naar voren gehaald. Het maataccent verplaatst van een zwaarder naar een lichter maatdeel

51.

Herstellingsteken

a)

Teken dat een kruis of mol ongedaan maakt

b)

Het steeds herhalen van een ritme of melodie

c)

Dit teken maakt van twee noten één

52.

Homofonie, Homofoon

a)

Tijdens het muziek maken iets bedenken en dan meteen spelen

b)

Meerstemmigheid, waarbij de verschillende partijen tegelijkertijd in (bijna) hetzelfde ritme zingen of spelen

c)

Je plukt met de vingers aan de snaren

53.

Human Beatbox

a)

Muziektheater met gesproken tekst, liedjes, toneel en dans

b)

Accent op de tweede en vierde tel van de maat. Of een accent na elke tel van de maat

c)

Met de stem nadoen van een drumstel

54.

imitatie

a)

De ene partij herhaalt de ander, eventueel op een andere toonhoogte en iets gewijzigd

b)

Het begin van de noot wordt naar voren gehaald. Het maataccent verplaatst van een zwaarder maatdeel naar een lichter maatdeel

c)

Muziek wordt zonder overgang harder of zachter

55.

Improvisatie

a)

Elektronisch instrument dat kunstmatig klank voortbrengt

b)

Tijdens het muziek maken iets bedenken en dat dan meteen spelen

c)

Partijen zingen of spelen dezelfde melodie, soms met een octaaf verschil

56.

Instrumentatie

a)

Zingen zonder begeleiding van instrumenten

b)

Alle partijen zetten dezelfde melodie of hetzelfde thema na elkaar in

c)

Verdelen van partijen over verschillende instrumenten

57.

Intro

a)

(Instrumentaal) Voorspel

b)

Voorzin en nazin vormen samen een complete afgeronde muzikale zin. De voorzin eindigt meestal stijgend, de nazin dalend.

c)

(instrumentaal) einde van een nummer

58.

Jazz combo

a)

Spelen zonder elektrisch versterkte instrumenten

b)

Bestaat uit drums, contrabas, piano/gitaar en één of meer melodie-instrumenten

c)

Blaasorkest bestaande uit hout- en koperblazers en slagwerk

59.

Klankkleur

a)

Toonladder met een grote terts boven de grondtoon

b)

Je speelt de noten kort

c)

De klank van instrumenten (schel, dof, warm etc.)

60.

Koor

a)

heeft verschillende soorten stemmen. Vrouwenstemmen zijn sopraan(hoog) en alt(laag). De mannenstemmen zijn tenor (hoog) en bas (laag.

b)

Zanggroep bestaande uit vrouwen: sopranen en alten

c)

Zanggroep bestaande uit mannen: tenoren en bassen

61.

Leadgitaar

a)

staat op de voorgrond, het is de elektrische gitaar die de solo's en belangrijkste melodische lijnen speelt.

b)

Elektronisch muziekinstrument dat kunstmatig klank voortbrengt.

c)

het geluidsspoor van een film, met de dialogen, de achtergrondgeluiden, de geluidseffecten, en de filmmuziek. In de muziek is een soundtrack een opname van de muziek uit een film.

62.

Legato

a)

Sommige delen van een maat krijgen nadruk

b)

Je speelt de noten aan elkaar. Dit heet gebonden

c)

Je speelt de noten kort

63.

Maat

a)

Een zanggroep van mannen; tenor, bariton, bas

b)

Aantal tellen in de maat. Bijvoorbeeld in een vierkwartsmaat zijn er 4 tellen per maat

c)

verdeelt muziek in stukjes die even lang duren

64.

Maataanduiding

a)

Teken voor de maatsoort van het muziekstuk

b)

Toonladder met een grote terts boven de grondtoon

c)

Sommige delen van een maat krijgen nadruk

65.

Maataccent

a)

Aantal tellen in de maat. Bijvoorbeeld in een vierkwartsmaat zijn er 4 tellen per maat

b)

Sommige delen van een maat krijgen nadruk

c)

Er klinken 2 of meer melodieën samen

66.

Maatsoort

a)

Teken voor de maatsoort van het muziekstuk

b)

Toonladder met kleine terts boven de grondtoon

c)

Aantal tellen in de maat. Bijvoorbeeld in een vierkwartsmaat zijn er 4 tellen per maat

67.

Maatwisseling

a)

In het muziekstuk verandert de maatsoort

b)

Maat verdeelt muziek in stukjes die even lang duren

c)

Een instrument speelt samen met orkest

68.

Majeur

a)

Toonladder met kleine terts boven de grondtoon

b)

Toonladder met een grote terts boven de grondtoon

c)

Muziektheater met gesproken teksten, liedjes, toneel en dans

69.

Mannenkoor

a)

Zanggroep bestaande uit vrouwen; sopranen en alten

b)

Meerstemmigheid waarbij de verschillende melodieën niet in hetzelfde ritme zingen of spelen

c)

Een zanggroep van mannen; tenor, bariton, bas

70.

Meerstemmig

a)

Er klinken 2 of meer melodieën samen

b)

Achtergrondkoor

c)

De instrumenten en/of stemmen die nodig zijn om een compositie uit te voeren

71.

Melodie

a)

Het steeds herhalen van een ritme of melodie

b)

Aantal tonen die bij elkaar horen

c)

Je plukt met de vingers aan de snaren

72.

Melodische variatie

a)

Korte melodie. Motieven zijn bouwstenen waar je een melodie mee maakt

b)

In de variatievorm is het thema vooral melodisch gevarieerd. De melodie wordt gevarieerd.

c)

Meerstemmigheid waarbij de verschillende melodieën niet in hetzelfde ritme zingen of spelen

73.

Mezzoforte, mf (afkorting)

a)

Matig zacht

b)

Sterk

c)

Matig sterk

74.

Mineur

a)

Toonladder met kleine terts boven de grondtoon

b)

Toonladder met een grote terts boven de grondtoon

c)

Steeds harder gaan spelen of zingen

75.

Motief

a)

Korte Melodie. Bouwstenen waarmee je een melodie maakt.

b)

Het steeds herhalen van een melodie of ritme

c)

Muziek wordt zonder overgang harder of zachter

76.

Musical

a)

Coupletten, Refrein en een bridge

b)

Muziektheater met gesproken tekst, liedjes, toneel en dans

c)

Zanggroep bestaande uit sopranen en alten

77.

Nazin

a)

Twee stemmen bewegen in dezelfde richting

b)

Teken dat een kruis of mol ongedaan maakt

c)

Voorzin en nazin vormen samen een complete, afgeronde muzikale zin. De voorzin eindigt meestal stijgend, de nazin dalend

78.

Opmaat

a)

De eerste maat van een muziekstuk met minder tellen. Leidt naar de eerste tel van de tweede maat

b)

Sommige delen van een maat krijgen meer nadruk

c)

Aantal tellen in de maat. In een vierkwartsmaat zitten vier tellen

79.

Ostinaat

a)

Het einde van een nummer

b)

Het steeds herhalen van een melodie of ritme

c)

Je plukt met de vingers aan de snaren

80.

ostinato

a)

Liedje in pop of jazzmuziek

b)

Langzaam

c)

Het steeds herhalen van een melodie of ritme

81.

Outro

a)

(instrumentaal) einde van een nummer

b)

Met de hand ritmisch heen en weer bewegen van een plaat

c)

Een groep muzikanten

82.

Overgangsdynamiek

a)

De ene stem gaat omhoog, terwijl de andere omlaag gaat

b)

De muziek wordt geleidelijk harder of zachter

c)

Elektronisch muziekinstrument dat kunstmatig klank voortbrengt

83.

Parallelle beweging

a)

Meerstemmigheid waarbij verschillende melodieën niet in hetzelfde ritme spelen of zingen

b)

Gedeelte van een lied waarbij de tekst verandert maar de melodie niet

c)

Twee stemmen bewegen in dezelfde richting

84.

Pianissimo (pp)

a)

Zeer Zacht

b)

Zacht

c)

Zeer Sterk

85.

Piano (p)

a)

Sterk

b)

Zacht

c)

Matig Sterk

86.

Pizzicato

a)

Een kort, herkenbaar, sterk ritmisch motief dat een aantal keer wordt herhaalt

b)

Herhaling van een motief maar dan hoger of lager

c)

Je plukt met de vingers aan de snaren

87.

Polyfonie

a)

Meerstemmigheid waarbij de verschillende melodieën niet in hetzelfde ritme spelen of zingen

b)

Groep mensen met verschillende soorten stemmen: Sopraan, Alt, Tenor, en Bas

c)

Er klinken 2 of meer melodieën samen

88.

Popsong

a)

heeft meestal coupletten, refrein en een bridge

b)

Spelen zonder elektrisch versterkte instrumenten

c)

Schema om de vorm van een muziekstuk aan te geven, bijvoorbeeld ABA

89.

Pre-Chorus

a)

Gedeelte van een liedje waar de tekst verandert. De melodie blijft hetzelfde

b)

Gezongen inleiding op het refrein

c)

Muziektheater met gesproken teksten, liedjes, toneel en dans

90.

Rap

a)

Het steeds herhalen van een ritme

b)

Liedje in de pop of jazz

c)

Ritmisch spreken van een tekst

91.

Refrein

a)

Chorus, tekst en melodie blijven gelijk

b)

Gezongen inleiding op het chorus

c)

Verse, de tekst verandert maar de melodie blijft hetzelfde

92.

Riff

a)

kort, herkenbaar, sterk ritmisch motief dat een aantal keer wordt herhaald

b)

herhaling van een motief, maar dan hoger of lager

c)

met de hand ritmisch heen en weer bewegen van een plaat (lp)

93.

Ritenuto

a)

speelmanier op de basgitaar, waarbij de duim op de snaren hamert en de vingers aan de snaren plukken

b)

Vertragen

c)

Versnellen

94.

Ritmisch ostinaat

a)

Het ritme wordt gevarieerd

b)

Een instrument speelt samen met het orkest

c)

Het steeds herhalen van een ritme

95.

Ritmische variatie

a)

Het ritme wordt gevarieerd

b)

Teken voor de maatsoort van een muziekstuk

c)

Klanksterkte van de muziek

96.

Scratchen

a)

Elektronisch muziekinstrument dan kunstmatig klank voortbrengt

b)

Met de hand ritmisch heen en weer bewegen van een plaat (lp)

c)

Spelen zonder elektrisch versterkte instrumenten

97.

Sequens

a)

Hoge vrouwenstem

b)

Hoge mannenstem

c)

Herhaling van een motief, maar dan hoger of lager

98.

Slappen

a)

Speelmanier op de basgitaar, waarbij de duim op de snaren hamert en de vingers aan de snaren plukken

b)

Omspeling van een toon, bijvoorbeeld triller

c)

Met je vingers een snaar tokkelen

99.

Solo

a)

Één instrument speelt samen met het orkest

b)

je speelt de noten kort

c)

Korte melodie. Bouwstenen waarmee je een melodie maakt.

100.

Soundtrack

a)

Geluidsspoor van een film, met dialogen, achtergrond geluiden, geluidseffecten en filmmuziek.

b)

Grafische partituur waarin zelfbedachte tekens voorkomen

c)

Het thema is vooral melodisch gevarieerd.

101.

Spanning/Ontspanning

a)

Komt voor in muziek door bepaalde samenklanken te gebruiken

b)

Muziek wordt geleidelijk harder/zachter

c)

Twee stemmen bewegen in dezelfde richting

102.

Staccato

a)

Hoge mannenstem

b)

Glijden tussen twee tonen

c)

Je speelt de noten kort

103.

Swing (ritme)

a)

Ook wel 'shuffle' genoemd. Heeft te maken met timing en feel. Je speelt de eerste achtste iets langer dan de tweede.

b)

Het steeds herhalen van een ritme

c)

Het steeds variëren van een ritme

104.

Symfonieorkest

a)

Blaasorkest bestaande uit houtblazers, koperblazers en slagwerk

b)

Bestaat uit drums, contrabas, piano/gitaar en één of meer melodie instrumenten

c)

Een groot orkest

105.

Syncope

a)

Muziek wordt zonder overgang harder of zachter

b)

Het begin van een noot wordt naar voren gehaald. Het maataccent verplaatst van een zwaarder naar een lichter maatdeel

c)

In het muziekstuk verandert de maatsoort

106.

Synthesizer

a)

Herhaling van een motief maar dan hoger of lager

b)

Elektronisch muziekinstrument dat kunstmatig klank voortbrengt. Ziet eruit als een keyboard.

c)

Omspeling van een toon, bijvoorbeeld triller

107.

Tegenbeweging

a)

De ene stem gaat omhoog, terwijl de andere omlaag gaat

b)

Aantal tonen die bij elkaar horen

c)

Contrastwerking

108.

Tegenmelodie

a)

Instrumentaal gedeelte van een liedje tussen refrein en couplet

b)

Melodie die tegelijk met de hoofdmelodie klinkt, maar heel anders is

c)

Je speelt de noten aan elkaar vast

109.

Tenor

a)

Hoge vrouwenstem

b)

Lage mannenstem

c)

Hoge mannenstem

110.

Terrassendynamiek

a)

Muziek wordt zonder overgang harder of zachter

b)

Steeds harder gaan zingen of spelen

c)

Steeds zachter gaan zingen of spelen

111.

Thema

a)

De ene partij herhaalt de ander, eventueel op een andere toonhoogte

b)

Instrumentaal voorspel

c)

Hoofdmelodie van een muziekstuk

112.

Tokkelen

a)

De duim hamert op de snaren

b)

Met je vingers de snaren spelen

c)

Ondersteuning van een melodie

113.

Triool

a)

Het begin van de noot wordt naar voren gehaald

b)

Er klinken 3 noten in de tijd van 2 noten

c)

Toonladder met kleine terts boven de grondtoon

114.

Tussenspel

a)

Instrumentaal gedeelte van een liedje tussen refrein en couplet

b)

Je plukt met de vingers aan de snaren

c)

Het steeds herhalen van een ritme

115.

Tutti

a)

Dit teken maakt van twee noten één

b)

Het herhalen van een ritme of melodie

c)

Het hele orkest speelt

116.

Tweede stem

a)

Melodie op een andere toonhoogte die dezelfde beweging heeft als de hoofdmelodie

b)

Zanggroep bestaande uit vrouwen: sopranen en alten

c)

Engels voor zangstemmen. Bijvoorbeeld backing vocals en lead vocals

117.

Unisono

a)

Partijen zingen of spelen dezelfde melodie, soms met een octaaf verschil

b)

Er klinken 2 of meer melodieën samen

c)

Toonladder met een grote terts boven de grondtoon

118.

Unplugged

a)

Omspeling van een toon, bijvoorbeeld triller.

b)

Spelen zonder elektrisch versterkte instrumenten

c)

Schema om de vorm van een muziekstuk aan te geven, bijvoorbeeld ABA

119.

Variatie

a)

Met je vingers een snaar tokkelen

b)

De ene stem gaat omhoog terwijl de andere stem omlaag gaat

c)

Wanneer er kleine veranderingen zijn in bijvoorbeeld de herhaling van een melodie.

120.

Verbindingsboog

a)

Dit teken maakt van twee noten één

b)

Onmiddellijke herhaling van een motief, maar dan (één toon) hoger of lager

c)

Je plukt met de vingers aan de snaren

121.

Verse

a)

Refrein

b)

Couplet

c)

Brug

122.

Versieringen

a)

Het steeds herhalen van een ritme

b)

Het steeds herhalen van een ritme of melodie

c)

Omspeling van een toon, bijvoorbeeld triller.

123.

Vocals

a)

Engels voor zangstemmen.

b)

Schema om de vorm van een muziekstuk aan te geven, bijvoorbeeld ABA

c)

Zanggroep bestaande uit vrouwen; sopranen en alten