wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

DNA (5V)

Total questions: 25

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Het gen voor een recessieve ziekte ligt op het mitochondriaal DNA. Welk kind van een bepaalde ouderpaar heeft meer kans op het krijgen van deze ziekte?

a)

Een zoon

b)

Een dochter

c)

Zowel de zoon als de dochter

d)

Geen van beide, omdat alleen genen op het DNA in de celkern afgelezen worden.

2.

Het uiteinde van de 'ruggengraat' van DNA met een fosfaatgroep is het (1). Aan de andere kant van dezelfde streng zit een (2).

a)

(1) 3'-uiteinde, (2) eiwit

b)

(1) 5'-uiteinde, (2) eiwit

c)

(1) 3'-uiteinde, (2) suikergroep

d)

(1) 5'-uiteinde, (2) suikergroep

3.

In welk antwoord is het complementaire karakter van de stikstofbases in DNA goed weergegeven?

a)

C-G | A-T

b)

A-T | C-U

c)

G-T | A-C

d)

A-U | G-C

4.

Van welke stof komt de letter D in DNA?

a)

Desoxyribonucleinezuur

b)

Desoxyribose

c)

Desoxytocine

d)

Desoxynucleinezuur

5.

Welke stukken DNA coderen niet (!) voor bepaalde eigenschappen?

a)

Introns

b)

Exons

6.

Wat doet het enzym telomerase?

a)

Het werkt als een 'teller' op DNA en weet wanneer een cel niet meer kan delen.

b)

Het maakt de telomeren van DNA korter en blokkeert daarmee de celdeling.

c)

Het verlengt de telomeren van het DNA, waardoor een cel langer leeft.

d)

Het breekt de telomeren van DNA af en stimuleert daarmee het doodgaan van een cel.

7.

Wat vormt een nucleotide?

a)

Fosfaatgroep en stikstofbase

b)

Fosfaatgroep, suikergroep en stikstofbase

c)

Twee complementaire stikstofbases

d)

Suikergroep en stikstofbase

8.

Welk antwoord is onjuist?

a)

In een huidcel zit het gen voor de oogkleur.

b)

In een levercel staat het gen voor de oogkleur uit.

c)

Als een longcel zich deelt, vermenigvuldigen zich ook de genen voor de oogkleur.

d)

In cellen van het wangslijmvlies kun je niet alle genen aantonen.

9.

Zet op volgorde van klein naar groot

a)

DNA-genoom-celkern-chromosoom-cel

b)

Genoom-DNA-chromosoom-celkern-cel

c)

DNA-chromosoom-genoom-celkern-cel

d)

Genoom-chromosoom-celkern-genoom-cel

10.

Bij celdeling worden de beide strengen van DNA uit elkaar getrokken door (1). Aan de primers bindt vervolgens (2)

a)

(1) Ligase, (2) DNA-polymerase

b)

(1) Helicase, (2) DNA-polymerase

c)

(1) Ligase, (2) Okazaki-fragment

d)

(1) Helicase, (2) Okazaki-fragment

11.

In welke volgorde vinden de fases van de celcyclus plaats?

a)

Mitose-G1-Synthese-G2

b)

G1-Synthese-G2-G0

c)

Mitose-G1-G0-Synthese

d)

G1-Synthese-G0-G2

12.

Een Okazaki-fragment is...

a)

...voor het verbinden van de losse DNA-stukken op de 'lagging strand'

b)

...een stukje DNA dat in één keer gemaakt kan worden bij de replicatie

c)

...het stukje DNA dat vanaf de primer wordt aangemaakt van 5' naar 3'

d)

…het stuk DNA in de leading strand dat wordt afgelezen bij replicatie.

13.

Waar in de cel bevinden zich losse nucleotiden?

a)

In het kernmembraan

b)

In het kernplasma

c)

In het cytoplasma

d)

In een ribosoom

14.

Wat is er mogelijk met PCR-technologie?

a)

DNA-fragmenten vermeerderen

b)

DNA-fragmenten afbreken

c)

DNA-fragmenten splitsen op een gel

d)

DNA-fragmenten isoleren

15.

Wat is geen verschil tussen DNA en RNA?

a)

Uracil in RNA in plaats van Thymine in DNA

b)

RNA is dubbelstrengs, DNA enkelstrengs

c)

In DNA zit desoxyribose, in RNA ribose

d)

RNA kan de celkern uit, DNA niet

16.

Wat is splicing?

a)

Het verwijderen van exons uit pre-mRNA

b)

Het verwijderen van introns uit pre-mRNA

c)

Het splitsen van introns en exons in mRNA

d)

Het aflezen van exons in mRNA

17.

Wat is geen functie van een eiwit?

a)

Beweging en herkenning (receptoren)

b)

Bescherming en transport

c)

Regulatie en bescherming

d)

Beweging en terugresorptie

18.

Welke DNA-streng wordt afgelezen bij de transcriptie/ aanmaak van mRNA? Is dat voor alle genen dezelfde streng?

a)

De coderende streng, niet hetzelfde

b)

De template-streng, altijd hetzelfde

c)

De coderende streng, altijd hetzelfde

d)

De template-streng, niet hetzelfde

19.

Wat is niet waar als het gaat om een tRNA?

a)

Er zit geen anti-codon aan

b)

Draagt een aminozuur dat past bij het triplet

c)

Heeft geen triplet

d)

Komt voor in het cytplasma

20.

Het triplet TAC in het DNA ondervindt een mutatie. Wat is het effect in de ribosomen?

a)

Er wordt een korter eiwit gebouwd

b)

Er wordt een korter eiwit gebouwd

c)

Er wordt een foutief, niet werkend eiwit gebouwd

d)

Er wordt geen eiwit gebouwd

21.

Bij het aflezen van een regulatorgen kan een (1) worden gemaakt, die het aflezen en vertalen van andere genen kan (2)

a)

(1) repressor, (2) stimuleren

b)

(1) repressor, (2) blokkeren

c)

(1) operator, (2) stimuleren

d)

(1) operator, (2) blokkeren

22.

Welke mutatie heeft het minst grote gevolg voor het maken van het juiste eiwit?

a)

Een insertie (base teveel ingebouwd)

b)

Een substitutie (verkeerde base ingebouwd)

c)

Een deletie (base te weinig ingebouwd)

23.

Tijdens het 'runnen' van een PCR-apparaat is de temperatuur achtereenvolgens...

a)

95 gaden - 72 graden - 68 graden

b)

72 graden - 68 graden - 95 graden

c)

68 graden - 72 gaden - 95 graden

d)

68 graden - 95 graden - 72 graden

24.

Bij de celcyclus wordt DNA gedupliceerd in de (1) en vindt celgroei plaats in de (2).

a)

(1) S-fase, (2) G1-fase

b)

(1) S-fase, (2) M-fase

c)

(1) G1-fase, (2) M-fase

d)

(2) G1-fase, (2) S-fase

25.

Bij crossing-over raken van twee (1) chromosomen stukjes los, die 'oversteken' en dan weer binden. Door dit proces wordt de verscheidenheid in een populatie (2)

a)

(1) autosomale, (2) groter

b)

(1) autosomale, (2) kleiner

c)

(1) homologe, (2) groter

d)

(1) homologe, (2) kleiner