wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Endogene krachten, wat weet je al?

Total questions: 15

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Pr 2.1 - Bekijk het plaatje, benoem nummers 1 t/m 5.

a)

aardkern, warmte uitstraling, conventiestromen, aardmantel, aardkorst

b)

aardkern, convectiestromen, warmte uitstraling, aardmantel, aardkorst

c)

aardkern, aardmantel, warmte uitstraling, conventiestromen, aardkorst

d)

aardkern, convectiestromen, aardmantel, warmte uitstraling, aardkorst

2.

Pr 2.1 - Er zijn twee soorten aardkorst: continentale korst en oceanische korst. Wat zijn de kenmerken van deze twee soorten aardkorst?

a)

Continentale korst = dik en zwaar

Oceanische korst = dun en licht

b)

Continentale korst = dik en licht

Oceanische korst = dun en zwaar

c)

Continentale korst = dun en zwaar

Oceanische korst = dik en licht

d)

Continentale korst = dun en zwaar

Oceanische korst = dik en licht

3.

Pr 2.1 - Hoe ontstaat midocenanische ruggen?

a)

Als twee aardkorstplaten uit elkaar schuiven. Daardoor ontstaat vulkanisme, waardoor een kloof onderwater ontstaat.

b)

Als twee aardkorstplaten botsen. Daardoor ontstaat vulkanisme, waardoor een onderwater bergketen ontstaat.

c)

Als twee aardkorstplaten uit elkaar schuiven. Daardoor ontstaat vulkanisme, waardoor een onderwater bergketen ontstaat.

d)

Als twee aardkorstplaten botsen. Daardoor ontstaat vulkanisme, waardoor een onderwater bergketen ontstaat.

4.

Pr 2.2 - Wat wordt bedoeld met platentektoniek?

a)

Het botsen van de aardkorstplaten door het stromen van de ondergelegen magma.

b)

Uit elkaar bewegen van de aardkorstplaten door het stromen van de ondergelegen magma.

c)

Het onstaan van aardbevingen en vulkanen door het bewegen van aardkorstplaten.

d)

Het bewegen van de aardkostplaten door het stomen van de ondergelegen magma.

5.

Pr 2.2 - Bij welke plaatbeweging hoort een subductie zone?

a)

Een convergente plaatbeweging

b)

Een divergente plaatbeweging

c)

Een transforme plaatbeweging

6.

Pr 2.2 - Wat is een hypocentrum?

a)

Een hypocentrum is de plaats aan de aardoppervlak die boven de aardbevingshaard ligt.

b)

Een hypocentrum is de plaats waar een aardbeving ontstaat (aardbevingshaard).

c)

Een hypocentrum is de plaats waar de kracht van de aardbeving het grootst is.

d)

Een hypocentrum is de plaats waar een tsunami ontstaat.

7.

Pr 2.3 - Er zijn verschillende soorten vulkanen. Eén daarvan is een stratovulkaan. Wat zijn de kenmerken van een stratovulkaan (kegelvulkaan)?

a)

Een stratovulkaan ontstaat bij een convergente plaatgrens, is exposief en de lava is vloeibaar.

b)

Een stratovulkaan ontstaat bij een convergente plaatgrens, is exposief en de lava stroperig.

c)

Een stratovulkaan ontstaat bij een divergente plaatgrens, barst rustig uit en de lava is vloeibaar.

d)

Een stratovulkaan ontstaat bij een divergente plaatgrens, is exposief en de lava is stroperig.

8.

Pr 2.3 - Wat is een caldera?

a)

Een cirkelvormige krater dat is ontstaan nadat het bovenste deel van de vulkaan is weggeblazen of is ingestort.

b)

Een cirkelvormige krater dat is ontstaan nadat er enorm veel gassen zijn ontsnapt.

c)

Een opgevulde kratermond dat is ontstaan nadat de lava is gestold in de krater.

d)

Een kratermeer dat is ontstaan nadat na zware regenval water in de kratermond is blijven liggen.

9.

Pr 2.3 - Er ontstaan ook vulkanen op plekken waar pluimen van zeer hete magma opstijgen. Dit noemen we....

a)

Een trog

b)

Oceanische ruggen

c)

Ketenvulkanisme

d)

Een hotspot

10.

Pr 2.7 - Plooiingsgebergte ontstaan op de plaatsen waar...

a)

Aan de randen van divergerende platen.

b)

Aan de randen van convergerende platen.

c)

Bij een transforme breuklijn

11.

Pr 2.7 - De geplooide lagen van een plooiingsgebergte bestaat uit...

a)

Metamorfe gesteenten

b)

Stollingsgesteenten

c)

Sedimentgesteenten

12.

Pr 2.7 - Rekzones vinden we o.a. in Afrika. Hoe ziet een rekzone eruit?

a)

Het bestaat uit hoge randen (horsten) met in het midden daarvan een laag deel (slenk).

b)

Het bestaat uit lagen delen (horsten) met in het midden daarvan een hoge deel (slenk).

c)

Het bestaat uit één groot hooggelegen gebied (horst).

d)

Het bestaat één groot laaggelegen gebied (slenk).

13.

Pr 2.9 - Wat zijn goede voorbeelden van sedimentgesteenten?

a)

Zandsteen, marmer en kalksteen.

b)

Zandsteen, schalie en kalksteen.

c)

Marmer, leisteen en kalksteen.

d)

Zandsteen, leisteen en marmer.

14.

Pr 2.9 - Metamorfe gesteenten ontstaan op de volgende wijze....

a)

….als stollingsgesteenten of sedimentgesteenten onder hoge druk komen te staan.

b)

….als stollingsgesteente of sedimentgesteenten onder hoge temperatuur komen te staan.

c)

….als stollingsgesteenten of sedimentgesteenten onder hoge druk en/of temperatuur komen te staan.

15.

Pr 2.9 - Basalt is een goed voorbeeld van...

a)

Metamorfe gesteenten

b)

Stollingsgesteenten

c)

Sedimentgesteenten