wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalverzorging - 1TH - H1-2

Total questions: 86

Worksheet time: 50mins

Name
Class
Date
1.

De juf wijst naar het raam.

Wat is het werkwoord?

a)

juf

b)

wijst

c)

raam

2.

Wij zitten op onze stoel.

wat is het werkwoord?

a)

Wij

b)

zitten

c)

onze

d)

stoel

3.

Wat zielig, de baby huilt in zijn bedje.

Wat is het werkwoord?

a)

zielig

b)

baby

c)

huilt

d)

bedje

4.

De cursisten tellen op hun vingers.

Wat is het werkwoord?

a)

tellen

b)

cursisten

c)

op hun

d)

vingers

5.

Abdullah vraagt aan de juf: mag ik naar de wc?

Wat zijn werkwoorden?

a)

Abdullah en juf

b)

aan en naar

c)

vraagt en mag

6.

Welke (afleidingen van) namen krijgen een hoofdletter?

a)

Eigennamen

b)

Geloofsaanduiding en/of ras

c)

Feestdagen

d)

Afleidingen van feestdagen

e)

Namen van heilige personen en/of zaken

7.

Welke namen zijn juist geschreven?

a)

Mevrouw van der Berg

b)

Mevrouw Van der Berg

c)

Mevrouw J. van der Berg

d)

Mevrouw J. Van der Berg

8.

Welke (afleidingen van) feestdagen zijn juist geschreven?

a)

Het is Kerstmis

b)

Het is Moederdag

c)

Mijn Paasvakantie

d)

Mijn Halloweenoutfit

9.

Hoeveel hoofdletters moeten er in deze naam staan:

herman van der wiel

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

10.

Twee woorden in de onderstaande zin zijn niet juist gespeld. Welke woorden zijn dat?


Tijdens het kerstfeest van de Brugklassers viel Elise over een glas Coca-cola

a)

kerstfeest en brugklassers

b)

kerstfeest en Coca-cola

c)

Elise en brugklassers

d)

Brugklassers en Coca-cola

11.

Hoeveel hoofdletters staan er in de volgende zin?


de jongens die samen de film oorlogswinter keken zijn daarna samen naar de kerstvoorstelling gaan kijken

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

12.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
In Januari kun je de poolster heel helder aan de hemel zien.
b)
In Januari kun je de Poolster heel helder aan de hemel zien.
c)
In januari kun je de poolster heel helder aan de hemel zien.
d)
In januari kun je de Poolster heel helder aan de hemel zien.
13.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
in de vakantie gaan lien en ik skiën in de franse alpen.
b)
In de Vakantie gaan Lien en ik skiën in de Franse Alpen.
c)
In de vakantie gaan Lien en ik skiën in de Franse Alpen.
d)
In de vakantie gaan Lien en ik skiën in de franse alpen.
14.
Een woord dat je kunt doen of wat gebeurt is een...?
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
voorzetzel
d)
werkwoord
15.
Welk woord is een werkwoord?
a)
hond
b)
van
c)
zitten
d)
de
16.
Welk woord is een werkwoord?
a)
fiets
b)
gaan
c)
in
d)
het
17.

Welke woordsoort is zus in de zin: Mijn jongste zus houdt van ballet.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

18.

Welke woorden in de zin moeten met een hoofdletter?


kan freek de weg naar brielle vertellen?

a)

Kan, Brielle

b)

Kan, Freek, Brielle

c)

Freek, Brielle

d)

Kan, Freek

19.

Wat is het werkwoord in de zin: Op het nieuwe schoolplein hangt een oud schoolbord.

a)

nieuwe

b)

schoolplein

c)

hangt

d)

schoolbord

20.

Wat is het lidwoord in de zin:


Het oogziekenhuis is linksaf.

a)

is

b)

het

c)

oogziekenhuis

21.

Is het woord gids enkelvoud of meervoud?


Zij krijgt informatie van de gids.

a)

enkelvoud

b)

meervoud

22.

Welk leesteken hoort aan het eind van de zin?


Bent u wel eens in Brielle geweest

a)

vraagteken

b)

uitroepteken

c)

punt

23.

Welke woordsoort is ziekenhuis in de zin:


Het ziekenhuis zoekt slapers om nieuwe wekkers te testen.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

24.

Welke woordsoort is slaat in de zin:


Mandy slaat de deken van haar af.

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

25.

Welke woorden in de zin moeten met een hoofdletter?


vanuit rozenburg reist manouk altijd naar brielle.

a)

Vanuit, Manouk, Brielle

b)

Vanuit, Rozenburg, Manouk, Brielle

c)

Vanuit, Rozenburg, Brielle

d)

Vanuit, Brielle

26.

Staat het woord: sirenes in het enkelvoud of meervoud?


We hoorden loeiende sirenes!

a)

enkelvoud

b)

meervoud

27.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
’S nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
b)
's nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
c)
's Nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
d)
'S Nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
28.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
in de vakantie gaan lien en ik skiën in de franse alpen.
b)
In de Vakantie gaan Lien en ik skiën in de Franse Alpen.
c)
In de vakantie gaan Lien en ik skiën in de Franse Alpen.
d)
In de vakantie gaan Lien en ik skiën in de franse alpen.
29.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
Bergen is de hoofdstad van de provincie Henegouwen.
b)
bergen is de hoofdstad van de provincie henegouwen.
c)
Bergen is de hoofdstad van de Provincie Henegouwen.
d)
Bergen is de hoofdstad van de provincie henegouwen.
30.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
onmiddellijk na de oorlog richtte het duitse rode kruis hulpdiensten op.
b)
Onmiddellijk na de Oorlog richtte het Duitse Rode Kruis hulpdiensten op.
c)
Onmiddellijk na de oorlog richtte het Duitse Rode Kruis hulpdiensten op.
d)
Onmiddellijk na de oorlog richtte het Duitse rode kruis hulpdiensten op.
31.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
elk jaar valt kerstmis op 25 december, maar pasen valt op een zondag in maart of april.
b)
Elk jaar valt Kerstmis op 25 december, maar Pasen valt op een zondag in maart of april.
c)
Elk jaar valt Kerstmis op 25 December, maar Pasen valt op een zondag in Maart of April.
d)
Elk jaar valt Kerstmis op 25 december, maar Pasen valt op een Zondag in maart of april.
32.
Welke zin is correct gespeld?
a)
De jongen is de zoon van walter bruggemans.
b)
de Jongen is de zoon van walter Bruggemans.
c)
De jongen is de zoon van Walter bruggemans.
d)
De jongen is de zoon van Walter Bruggemans.
33.
Wat is correct gespeld?
a)
Een Gentenaar was de winnaar van de wedstrijd.
b)
Een gentenaar was de winnaar van de wedstrijd.
c)
een gentenaar is een winnaar van de wedstrijd.
d)
een Gentenaar is de winnaar van de wedstrijd.
34.
Hoe heet een inwoner van Groot-Brittannië?
a)
een Engelsman
b)
een Engelse
c)
een Brit
d)
Een brit?
35.
Zij is een inwoner van Rusland.
a)
Russin
b)
Rus
c)
Russische
d)
Ruslandse
36.
Welke zin is correct gespeld.
a)
Ik verkies belgische chocolade.
b)
Ik verkies Franse wijn.
c)
Ik ben gek van italiaanse snoepjes.
d)
Ik verkies amerikaanse koekjes.
37.

Geef aan of de zin klopt.


Mijn naam is Roos en dit is frank.

a)

Goed

b)

Fout

38.

Geef aan of de zin klopt.


Mijn zus woont nu in Finland.

a)

Goed

b)

Fout

39.

Geef aan of de zin klopt.


ik ga op vakantie naar Terschelling.

a)

Goed.

b)

Fout.

40.

Geef aan of de zin klopt.


Het eiland Ibiza ligt in de Middellandse Zee.

a)

Goed

b)

Fout

41.

Geef aan of de zin klopt.


De voetballer Ronaldo is erg beroemd en woont in Spanje, in de stad Barcelona.

a)

Goed.

b)

Fout.

42.

Geef aan of de zin klopt.


Heb jij mijn kat Pip misschien ergens Gezien?

a)

Goed.

b)

Fout.

43.

Geef aan of de zin klopt.


Mijn ouders willen graag verhuizen naar frankrijk.

a)

Goed.

b)

Fout.

44.

Geef aan of de zin klopt.


Mijn honden heten Senna, Jesse en Luca.

a)

Goed.

b)

Fout.

45.

Geef aan of de zin klopt.


Kom jij vanavond ook naar brielle?

a)

Goed.

b)

Fout.

46.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'gooide'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

47.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'blikje'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

48.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'kostte'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

49.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'scooter'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

50.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'de'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

51.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'leeuw'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

52.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'moet'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

53.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'blijven'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

54.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'tegenstanders'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

55.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'de'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

56.
De jarige heeft alle cadeaus uitgepakt
a)
jarige is een bijvoeglijk naamwoord
b)
jarige is een zelfstandig naamwoord
c)
jarige is een werkwoord
57.
Lust jij appeltaart?
a)
lust is een werkwoord
b)
lust is een lidwoord
c)
lust is een zelfstandig naamwoord
58.
Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin:
De hond eet veel te veel.
a)
veel
b)
de
c)
hond
d)
te
59.
Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin:
De wilde rat valt snel aan.
a)
wilde
b)
rat
c)
snel
d)
valt
60.
Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin: 
Als hij rent, krijgt Max spierpijn.
a)
spierpijn
b)
Max
c)
hij
d)
rent
61.
Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin: 
's Avonds leest mijn moeder me voor.
a)
leest
b)
mijn
c)
voor
d)
moeder
62.
Wat is het lidwoord in de zin:
Onze hamsters krijgen morgen een nieuwe kooi.
a)
kooi
b)
onze
c)
hamsters
d)
een
63.
Wat is het lidwoord in de zin:
Ons konijn Frits heeft de kabel doorgebeten.
a)
de
b)
ons
c)
Frits
d)
kabel
64.
Wat is het lidwoord in de zin:
Het meisje is allergisch voor honden en katten.
a)
voor
b)
meisje
c)
het
d)
is
65.
Wat is het lidwoord in de zin:
Groen en blauw zijn de lievelingskleuren van Linda.
a)
blauw
b)
de
c)
groen
d)
van
66.

Volgende week wordt in Amsterdam een gratis maaltijd gereserveerd.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

67.

Volgende week wordt in Amsterdam een gratis maaltijd gereserveerd.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

68.

De maaltijd bestaat uit producten die nooit bij de consument terechtkomen.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

69.

De maaltijd bestaat uit producten die nooit bij de consument terechtkomen.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

lidwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

70.

Hoeveel lidwoorden staan er in de zin: Joris reed in de auto van zijn grote broer.

a)

één lidwoord

b)

twee lidwoorden

c)

drie lidwoorden

d)

vier lidwoorden

71.

Welke woorden zijn zelfstandig naamwoorden?

a)

Ajax, hertje, liefde

b)

de, het, een

c)

leuke, mooie, groene

d)

eten, gamen, kijken

72.

Hoeveel werkwoorden staan er in de zin: Wipneus en Pim hebben weer een spannend avontuur beleefd.

a)

geen

b)

één

c)

twee

d)

drie

73.

Wat is de stam van 'pakken'?

a)

pak

b)

pakke

c)

pakk

d)

pakt

74.

Welk vorm is fout geschreven?

a)

ik mak

b)

hij maakt

c)

zij klautert

d)

ik klauter

75.

Wat is de stam van 'bewijzen'?

a)

bewijs

b)

bewijze

c)

bewijst

d)

bewijz

76.

Welke vorm is fout geschreven?

a)

ik plaag

b)

hij plaagt

c)

zij smoezt

d)

ik smoes

77.

Welke ik-vorm is goedgeschreven?

a)

halen-hal

b)

smoezen-smoez

c)

lezen-lez

d)

zwemmen-zwem

78.

Welke vorm is fout geschreven?

a)

ik schrapp

b)

hij schrapt

c)

ik probeer

d)

jij probeert

79.

Welke ik-vorm is goedgeschreven?

a)

slapen-slap

b)

beroven-beroof

c)

leven-lev

d)

raken-rak

80.

Welke vorm is fout geschreven?

a)

ik leef

b)

ik leev

c)

jij zweert

d)

hij zweert

81.

Welke vorm is fout geschreven?

a)

ik leef

b)

ik leev

c)

jij zweert

d)

hij zweert

82.

Welke ik-vorm is goed geschreven?

a)

niezen-niez

b)

pakken-pakk

c)

klappen-klap

d)

schrijven-schrijv

83.

Welke stam is ook de ik-vorm?

a)

leven-lev

b)

kammen-kamm

c)

roepen-roep

d)

niezen-niez

84.

Welke vorm is fout geschreven?

a)

jij zwemmt

b)

hij berooft

c)

ik bewijs

d)

hij klapt

85.

Welke vorm is fout geschreven?

a)

hij klautert

b)

jij zweert

c)

ik bewijz

d)

hij pakt

86.

Wat is de stam van 'gniffelen'?

a)

gniffel

b)

gnifel

c)

gniffelt

d)

gniffeld