wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verstedelijking

Total questions: 13

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

verstedelijkingsgraad is

a)

het aandeel van de totale bevolking dat in een stedelijke omgeving woont

b)

het aandeel van de totale bevolking dat in een landelijke omgeving woont

c)

het aandeel van de totale bevolking dat in een huis woont

d)

het aandeel van de totale bevolking dat werk heeft

2.

De grote steden van Latijns-Amerika bevinden zich waar?

a)

Op grote hoogte

b)

Aaan de kust

c)

In de warme klimaatzone

d)

Bovenste drie antwoorden kunnen allemaal

3.

Natuurlijke aangroei bereken je via volgende formule

a)

geboortecijfer + sterftecijfer

b)

geboortecijfer - sterftecijfers

c)

geboortecijfer x sterftecijfer

d)

geboortecijfer : sterftecijfer

4.

Welke uitspraak klopt volgens de grafiek?

a)

De meeste steden hebben geen bevolkingstoename doorheen de jaren.

b)

De meeste steden hebben een bevolkingsafname doorheen de jaren.

c)

De meeste steden groeien sterk vanaf jaren '50 en iets minder vanaf de jaren '80

d)

De meeste steden groeien minder vanaf de jaren '50 en sterk vanaf de jaren '80

5.

Met welke term wordt aangegeven dat de mensen van het platteland naar de stad verhuizen?

a)

stadstoenadering

b)

plattenlandsverwijdering

c)

plattenlandsvlucht

d)

stadsaantrekking

6.

Luchtvervuiling, verkeerschaos, krottenwijken, ... zijn ________ van verstedelijking

a)

negatieve gevolgen

b)

positieve gevolgen

c)

oorzaken

d)

aanleidingen

7.

De groei van de steden wordt in de hand gewerkt door twee factoren. Welke?

a)

Natuurlijke aangroei & werkgelegenheid

b)

Werkgelegenheid & plattelandsvlucht

c)

Plattelandsvlucht & natuurlijke aangroei

d)

Geen van de opties is juist

8.

Welke uitspraak klopt volgens de grafiek?

a)

Bevolkingsgroei gaat volledig naar het platteland, bevolking van de stad trekt naar het platteland.

b)

Bevolkingsgroei gaat volledig naar de stad, bevolking van het platteland trekt naar de stad.

c)

Bevolkingsgroei stijgt harder op het platteland dan in de stad.

d)

Bevolkingsgroei stijgt harder in de stad dan op het platteland.

9.

Pushfactoren zijn

a)

afstotingsfactoren waarom mensen ergens anders gaan wonen

b)

afstotingsfactoren waarom mensen blijven wonen waar ze wonen

c)

aantrekkingsfactoren die ervoor zorgen dat mensen blijven wonen waar ze wonen

d)

geen van bovenstaande opties

10.

Pullfactoren zijn

a)

aantrekkingsfactoren waarom mensen blijven wonen waar ze wonen

b)

aantrekkingsfactoren waarom mensen elders anders gaan wonen

c)

afstotingsfactoren waarom mensen elders anders gaan wonen

d)

geen van bovenstaande opties is juist

11.

Sloppenwijken zijn

a)

rijke stadswijken met krotwoningen

b)

arme stadswijken met krotwoningen

c)

rijke stadswijken met deftige woningen

d)

arme stadswijken met deftige woningen

12.

Scheiding van bevolkingsgroepen op basis van hun inkomen en positie in de maatschappij wordt aangeduid met het volgende begrip

a)

residentiële segregatie

b)

gewone segregatie

c)

sociale segregatie

d)

ongewone segregatie

13.

Scheiding in woonzones volgens sociale groepen wordt aangeduid met het volgende begrip

a)

residentiële segregatie

b)

gewone segregatie

c)

sociale segregatie

d)

ongewone segregatie