wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 - Leven en werken in de Griekse polis

Total questions: 12

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Welk domein wordt er voornamelijk behandeld in dit hoofdstuk?

a)

economisch domein

b)

sociaal domein

c)

politiek domein

d)

cultureel domein

2.

Over welke werelddelen strekt de wereld van de Griekse poleis zich uit?

a)

Europa

b)

Afrika

c)

Amerika

d)

Azië

3.

Waaruit bestaat het Griekse kerngebied in de klassieke oudheid?

a)

Het Griekse schiereiland

b)

De Griekse eilanden

c)

Klein-Azië

d)

De westkust van Klein-Azië

4.

Welke zee bevindt zich tussen het Griekse vasteland en de westkust van Klein-Azië?

a)

Middellandse Zee

b)

Zwarte Zee

c)

Adriatische Zee

d)

Egeïsche Zee

5.

Wat is GEEN kenmerk van een mediterraan klimaat?

a)

warme zomers

b)

milde winters

c)

vochtige zomers

d)

vochtige winters

6.

Welke stelling is niet correct

a)

Door het bergachtige reliëf kweekt men in Griekenland vooral geiten en schapen

b)

Door het droge klimaat kweekt men in Griekenland vooral druiven en olijven

c)

Door het bergachtige reliëf gaan mensen vooral huizen bouwen op de vlaktes aan de kust

d)

Door het bergachtige reliëf kweekt men vooral graan in de valleien en aan de kust

7.

In een gesloten landbouwsamenleving

a)

zijn de poleis zelfvoorzienend

b)

gaan mensen aan ruilhandel doen op regionale markten

c)

gaan mensen handel drijven met andere poleis

d)

heeft men grondstoffen nodig die niet in de polis te vinden zijn

8.

De nood aan contacten met andere poleis is géén gevolg van

a)

een stijgend bevolkingsaantal

b)

het tekort aan vruchtbare gronden

c)

het tekort aan grondstoffen

d)

een teveel aan afzetmarkten

9.

Een afzetmarkt is ...

a)

een plaats om producten te kopen

b)

een plaats om producten te verkopen

c)

een markt in de buurt

d)

een markt waar je producten kan neerzetten

10.

Het telen van gewassen op akkers noemen we

a)

landbouw

b)

akkerbouw

c)

veelteelt

d)

graan

11.

Duid alle redenen aan waarom de Grieken migreren

a)

ze zijn op de vlucht voor oorlogsgeweld

b)

ze zijn op zoek naar plaatsen waar ze hun producten kunnen verkopen

c)

ze vinden te weinig werk in hun eigen land

d)

er is te weinig voedsel in hun eigen land

12.

Als je de volgende begrippen/gebeurtenissen chronologisch rangschikt, wat komt er dan op de 3de plaats?

a)

Er ontstaat in Griekenland een tekort aan voedsel en grondstoffen

b)

Een gesloten landbouwsamenleving

c)

De Grieken migreren naar nederzettingen op vruchtbare vlaktes rond de Middellandse Zee

d)

Het bevolkingsaantal stijgt