wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

T2: voedselrelaties + aanpassing organismen

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Geef het juiste begrip:


Een groene plant, maakt zijn eigen voedsel aan.

a)

producent

b)

consument

2.

Geef het juiste begrip:


Een dier dat zich voedt met een ander organisme.

a)

producent

b)

consument

3.

Geef het juiste begrip:


planteneter

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

d)

producent

4.

Geef het juiste begrip:


vleeseter

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

d)

producent

5.

Geef het juiste begrip:


alleseter

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

d)

producent

6.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

7.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

8.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

9.

Welk effect heeft het weghalen van alle planteneters uit een biotoop op de vleeseters én de plantengroei in de biotoop?

a)

Het aantal vleeseters daalt en de plantengroei neemt af

b)

Het aantal vleeseters stijgt en de plantengroei neemt toe.

c)

Het aantal vleeseters daalt en de plantengroei neemt toe.

d)

Het aantal vleeseters stijgt en de plantengroei neemt af.

10.

Aaneenschakeling van levende wezens, waarbij de ene schakel tot voedsel dient voor de volgende = ...

a)

voedselketen

b)

voedselweb

c)

voedselkringloop

11.

Welk organisme is de producent in deze voedselpiramide?

a)

bladluis

b)

lieveheersbeestje

c)

mus

d)

havik

e)

geen organisme

12.

De afbeelding is een voorbeeld van ...

a)

een voedselketen

b)

een voedselweb

c)

een voedselkringloop

d)

een voedselpiramide

13.

Wanneer is er sprake van een ecologisch evenwicht?

a)

eerst jaar

b)

tweede jaar

c)

derde jaar

d)

vierde jaar

14.

Wie is de detrivoor?

a)

organisme voedt zich met dood organisch materiaal.

b)

ontbinder, breekt resten van dood organisch materiaal verder af en zet het om in mineralen.

15.

Wie is de reducent?

a)

organisme voedt zich met dood organisch materiaal.

b)

ontbinder, breekt resten van dood organisch materiaal verder af en zet het om in mineralen.

16.

Met welke kleur wordt het dieptezicht weergegeven

a)

licht blauw

b)

donker blauw

c)

paars

d)

licht blauw + donkerblauw

e)

licht blauw + donkerblauw + paars

17.

Met welke kleur wordt het gezichtsveld weergegeven?

a)

licht blauw

b)

donker blauw

c)

paars

d)

licht blauw + donkerblauw

e)

licht blauw + donkerblauw + paars

18.

Duid alle opruimers aan

a)

detrivoren

b)

reducenten

c)

producenten

d)

consumenten

19.

Duid alle detrivoren aan

a)

eik

b)

mestkever

c)

aasgier

d)

vliegenzwam

e)

bacterie

20.

Duid alle reducenten aan

a)

eik

b)

mestkever

c)

aasgier

d)

vliegenzwam

e)

bacterie

21.

Wie is de ontbinder in de voedselkringloop?

a)

producent

b)

consument

c)

detrivoor

d)

reducent

e)

mineralen

22.

Een ecologisch evenwicht betekent...

a)

dat er van alle organismen evenveel zijn.

b)

dat dood organisch materiaal wordt omgezet tot mineralen dankzij de reducenten.

c)

dat er voldoende voedsel is voor elke organisme in de biotoop.

23.

Het verstoren van het ecologisch evenwicht in een biotoop kan zorgen voor...

a)

het verdwijnen van een bepaald organisme in een biotoop

b)

ene plaag van een bepaald organisme in een biotoop

c)

het verdwijnen van alle leven op deze plaats.

d)

een goede verhouding in aantallen van de verschillende soorten organismen.

24.

Bekijk de foto. Welke bewering is juist?

a)

Om wille van de verschillende kleuren van hun kop, zullen de vogels geen voedselconcurrenten zijn.

b)

Door de verschillende snavels zijn de vogels geen voedselconcurrenten.

c)

De vorm van de snavel heeft geen invloed op hun voedselvoorkeur.

25.

….. is het door kunstmatige selectie ontwikkelen van dieren en planten die zo goed mogelijk aan de eisen van van de mens voldoen.

(a)