wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica ZD evaluatie 1 A1

Total questions: 10

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Welke uitspraak over het lijdend voorwerp is waar?

a)

Het lijdend voorwerp begint altijd met een voorzetsel.

b)

Het lijdend voorwerp van een zin kun je vinden met de vraag ‘Wat (of Wie) + werkwoordelijk gezegde?’

c)

Het zinsdeel lijdend voorwerp is de persoon die iets ‘overkomt’ of het voorwerp dat iets ‘ondergaat’.

2.

Benoem het onderstreepte zinsdeel uit de volgende zin:

Voor de gymnastieklessen trokken de meisjes uit 3havo hun turnpakjes aan.

a)

Onderwerp

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Lijdend voorwerp

3.

Benoem het ondersteepte zinsdeel :

De orkaan Irene trok gedurende de nacht naar het noorden weg.

a)

Onderwerp

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Lijdend voorwerp

4.

Benoem het onderstreepte zinsdeel:

Koos meneer Botje tijdens de reis met zijn scheepje de verkeerde route?

a)

Onderwerp

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Lijdend voorwerp

5.

Benoem het onderstreepte zinsdeel:

Dit computerspelletje had hij het liefst urenlang willen spelen.

a)

Onderwerp

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Lijdend voorwerp

6.

Benoem het onderstreepte zinsdeel:

Op het dak van de Groningse korenbeurs kijkt de god van de handel Mercurius uit over de markt.

a)

Onderwerp

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Lijdend voorwerp

7.

Welke werkwoorden kunnen géén lijdend voorwerp bij zich hebben? (Let op: er zijn meerdere antwoorden mogelijk!)

a)

bakken

b)

kiezen

c)

logeren

d)

sjoelen

e)

tegenhouden

8.

welke werkwoorden kunnen géén lijdend voorwerp bij zich hebben?

a)

helpen

b)

roepen

c)

timmeren

d)

uitleggen

e)

voetballen

9.

Welke zin is op de juiste manier in zinsdelen verdeeld?

a)

Wat voor cijfer / heeft / ze / van haar / leraar / gekregen / voor het laatste proefwerk?

b)

Voor de sportdag / kleden / de heren / uit 2vwo / zich / in de kleedkamer om.

c)

Wie van hen / zou / deze tuinstoelen/ straks / voor ons / kunnen repareren?

d)

Tot acht uur / vanavond / was / hij / op de rechtbank / een lastige zaak / aan het voorbereiden.

10.

Welke zin is o de juiste manier in zinsdelen verdeeld?

a)

Op de balkons / van hun bejaardenflats / zitten / de oude heren / lekker / te lezen.

b)

Zulke nare verhalen / vertellen / die aardige kleuterjuffen / nooit / aan de kleine kinderen.

c)

Waarom / maakt / China / eigenlijk/ altijd / onze westerse / producten na?

d)

Op hun buik / lagen / de kleine jongetjes de kikkervisjes / weg te jagen.