wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De Grieken (leerstof examen kerst: H1-H8)

Total questions: 70

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noemen we onze 'lege doos' bij geschiedenis?

a)

Het geschiedeniskader

b)

De historische doos

c)

Het historisch overzicht

d)

Het historisch referentiekader

2.

Wat behoort niet tot het HRK?

a)

Tijd en ruimte

b)

Digitale oefeningen

c)

Historische kritiek

d)

Domeinen

3.

Welke domeinen beïnvloeden elkaar?

a)

Economie en politiek

b)

Politiek en cultuur

c)

Cultuur en sociaal

d)

Alle domeinen beïnvloeden elkaar

4.

Tot welke eeuw behoort 234 v.C. ?

a)

3de eeuw v.C.

b)

2de eeuw v.C.

c)

2de eeuw

d)

24ste eeuw v.C.

5.

Van wanneer tot wanneer loopt de 5de eeuw?

a)

401-500

b)

501-600

c)

400-499

d)

500-599

6.

Wat is geen deeldomein van cultuur?

a)

Kunst

b)

Techniek

c)

Leefgewoonte

d)

Industrie

7.

Wat is de begin- en einddata van de klassieke oudheid?

a)

1800 v.C. - 800 v.C.

b)

500 - 1450

c)

800 v.C. - 500

d)

3500 v.C. - 800 v.C.

8.

Rond welke zee liggen de Griekse en Italiaanse steden?

a)

Egeïsche zee

b)

Zwarte zee

c)

Ionische zee

d)

Middellandse zee

9.

In welk bekken ligt Griekenland?

a)

Oostelijk bekken

b)

Westelijk bekken

c)

Noordelijk bekken

d)

Zuidelijk bekken

10.

Welke zee wordt er aangeduid?

a)

Egeïsche Zee

b)

Ionische Zee

c)

Zwarte Zee

d)

Adriatische Zee

11.

Welk gebied herken je?

a)

Sparta

b)

Athene

c)

Kreta

d)

Milete

12.

Waarom ontstaan de eerste Europese culturen in het zuiden van Europa (Griekenland en Italië)?

a)

Immigratie door oorlog

b)

Immigratie door opwarming aarde

c)

Immigratie door hongersnood

d)

Toeval

13.

Waarom zien we eerst de Minoërs en Mykeners?

a)

De cursus is zo opgebouwd

b)

Het heeft geen speciale reden

c)

Het zijn de voorlopers van de Grieken

d)

Ze gaan later nog een rol spelen bij de Romeinen

14.

Vanwaar de naam 'Minoische beschaving'?

a)

De ontdekker heette Minos

b)

De vondsten van de beschaving doen denken aan mythe over Minotaurus

c)

De stier 'Minotaurus' werd daar gevonden

d)

De naam werd willekeurig gegeven

15.

Welke zee wordt er verklaard door de mythe over de Minotaurus?

a)

De Zwarte zee

b)

De Kaspische zee

c)

De Middellandse zee

d)

De Egeïsche zee

16.

Hoe leefden de Minoërs op economisch vlak (duid het beste antwoord aan)?

a)

Zeehandel

b)

Veroveringen

c)

Eigen producten

d)

Visvangst

17.

Wat kunnen we zeggen over de cultuur van de Minoërs?

a)

Niet veel, veel vraagtekens

b)

Muren rond de steden

c)

Grieks schrift

d)

Een eigen spel: ganzenbord

18.

Hoe komt de Minoïsche beschaving op zijn einde?

a)

Mykeners komen erbij

b)

Vulkaanuitbarsting op Santorini

c)

Aardbevingen met tsunami's als gevolg

d)

Alle vorige antwoorden

19.

De Minoïsche beschaving had hun centrum op Kreta. Waar lag het centrum van de Mykeensche beschaving?

a)

Ook Kreta

b)

Mykene

c)

Sparta

d)

Thebe

20.

Vlak voor het einde van de Minoïsche beschaving, komt de Mykeense beschaving op. Vanwaar de naam 'Mykeense beschaving'?

a)

Stad Mykene

b)

Uitvinder Mykenos

c)

De vrucht Mykena

d)

Geen reden

21.

Wat kan je zeggen over de economie van de Mykeners?

a)

Zeehandel

b)

Landbouw en handel

c)

Eigen producten

d)

Visvangst

22.

Wat kunnen we zeggen over cultuur van de Mykeners?

a)

Rijk volk

b)

Muren rond de stad

c)

Geloven in leven na de dood

d)

Alle vorige antwoorden

23.

De Doriërs nemen de plaats in van de Mykeners en stichten een belangrijke stad in de Peloponnesos. Welke stad?

a)

Athene

b)

Sparta

c)

Thebe

d)

Milete

24.

Met de komst van de Doriërs wordt er een nieuwe periode in Griekenland gestart. Een periode waarvan we weinig bronnen hebben en waarbij Griekenland primitief werd. Welke periode?

a)

Dark Ages

b)

Dark period

c)

Dark times

d)

Dark Hellas

25.

Na de donkere periode komt Griekenland er terug bovenop. Een bekende schrijver luidt een betere periode in. Hoe heet de schrijver?

a)

Ilias

b)

Homeros

c)

Thucydides

d)

Bart de Pauw

26.

Homeros schreef (waarschijnlijk) 2 bekende werken. Welke 2?

a)

Ilias en Perzische oorlog

b)

Trojaanse Oorlog en Perzische Oorlog

c)

Peloponnesische Oorlog en Odyssee

d)

Ilias en Odyssee

27.

Het reliëf speelde een rol in de verdere evolutie van Griekenland. Hoe?

a)

Door de zee waren er veel overstromingen

b)

Door de bergen was samenleven moeilijk

c)

Door de weinige gronden was landbouw moeilijk

d)

Door de weinige natuur was het moeilijk aan vuur te geraken

28.

Samenleven en communiceren was dus moeilijk. Hierdoor ontstonden zelfstandige steden. Geef een synoniem hiervoor.

a)

polis

b)

poleis

c)

poolis

d)

pooleis

29.

Griekenland werd dus politiek verdeeld. Wat klopt niet?

a)

Elke polis eigen uniform

b)

Elke polis eigen leger

c)

Elke polis eigen bestuur

d)

Elke polis eigen rechtspraak

30.

Toch waren de Grieken één volk met één cultuur. Wat klopt niet?

a)

Dezelfde taal

b)

Dezelfde leefgewoonten

c)

Gemeenschappelijke spelen

d)

Gemeenschappelijke goden

e)

Alles klopt

31.

De Grieken worden groter en groter, onder andere door te gaan koloniseren. Wie was hen voor op dat vlak?

a)

De Feneciërs

b)

De Feniciërs

c)

De Romeinen

d)

De Doriërs

32.

De Feniciërs waren eerst de belangrijkste zeehandelaars op MZ. Geef het correcte begrip.

a)

Zeehandelsprimeur

b)

Zeehandelsmonopolie

c)

Zeehandelsmedaille

d)

Zeehandelsbezit

33.

Waren het wel de Feniciërs? Of vergissen we ons? Welke naam gaven ze zichzelf?

a)

Puni

b)

Hyksos

c)

Feniciërs

d)

Carthagers

34.

Ook de Grieken gingen koloniseren. Wat was het eerste probleem?

a)

Vruchtbare gronden in handen van grondadel

b)

Vruchtbare grond in handen van geldadel

c)

Spanningen tussen arm en rijk

d)

Spanningen tussen rijk en rijk

35.

Het gevolg was...

a)

spanningen tussen boeren en slaven

b)

spanningen tussen ondernemers en armen

c)

spanningen tussen arm en rijk (grondadel)

d)

spanningen tussen arm en rijk (geldadel)

36.

De Griekse economie bloeit. Welk cultureel gevolg heeft dit?

a)

Verspreiding van taal en overname van muntstelsel

b)

Verspreiding van bestuur

c)

Nieuw samenlevingsprobleem

d)

Verspreiding van alfabet en overname van godsdiensten

37.

Ook op sociaal vlak heeft de kolonisatie gevolgen. Hoe?

a)

Slaven worden rijk

b)

Verspreiding van grondstoffen

c)

Bloederige taferelen

d)

Nieuw samenlevingsprobleem (grondadel versus geldadel)

38.

We hebben nog niets gezegd over HET Athene en HET Sparta. Wat klopt?

a)

Atheners: open samenleving

b)

Sparta: open samenleving

39.

Athene: taak van de burgers?

a)

Schulden niet meer kunnen betalen

b)

verblijfsbelasting betalen

c)

legerdienst

d)

bewerken van gronden

40.

Athene: taak van de oorlogsslaven?

a)

Schulden niet meer kunnen betalen

b)

Verblijfsbelasting betalen

c)

Onder toezicht van burger

d)

Bewerken van gronden

41.

Sparta: taak van de heloten?

a)

Geen politieke rechten

b)

legerdienst heel hun leven

c)

Bewerken van gronden

d)

Vrije mensen

42.

Athene: wat was de tweede bestuursvorm?

a)

Koninkrijk

b)

Democratie

c)

Aristocratie

d)

Tirannie

43.

Athene: hoe heette de tiran?

a)

Kleisthenes

b)

Pisistratos

c)

Solon

44.

Athene: wie richtte een volksvergadering op?

a)

Solon en Kleisthenes

b)

Pisistratos en Solon

c)

Kleisthenes en Pisistratos

d)

Kleisthenes alleen

45.

Athene eindigde met een democratie. Niet iedereen mocht stemmen?

a)

Indirecte democratie

b)

Directe democratie

c)

Beperkte democratie

d)

Oligarchie

46.

België kent ook een democratie. Wij verkiezen wel politiekers om voor ons te stemmen?

a)

Indirecte democratie

b)

Directe democratie

c)

Beperkte democratie

d)

Oligarchie

47.

Sparta: oligarchie als bestuursvorm. Wat betekent dit?

a)

Weinigen aan de macht

b)

Velen aan de macht

c)

Rijksten aan de macht

d)

Burgers aan de macht

48.

Nu we Athene en Sparta van dichterbij bekeken, kunnen we verder gaan met Perzische oorlogen. Situeer in tijd.

a)

6de eeuw v.C

b)

5de eeuw v.C

c)

4de eeuw v.C

d)

3de eeuw v.C

49.

Nog voor de strijd begon, kenden de Perzen één groot nadeel.

a)

Te groot leger

b)

1 koning aan de macht

c)

Elke stad een andere leider

d)

Verschillende volkeren samen dus verschillende talen

50.

Hoe is de emmer aan het vollopen bij de Perzen (oorzaak)?

a)

Milete roept hulp in van Athene

b)

Perzen willen Hellas gebied veroveren

c)

Perzen willen zeehandel overnemen

d)

Perzen willen cultuur Gieken

51.

De druppel valt uiteindelijk (aanleiding). Hoe?

a)

Milete (kolonie Grieken in K-Az) komt in opstand

b)

Perzen willen gebied veroveren

c)

Perzen zijn boos door de Feniciërs

d)

Sparta valt Perzië aan

52.

De strijd begint! Wat was geen veldslag?

a)

Vlakte van Marathon

b)

Slag om Thebe

c)

Strijd van Plataeae

d)

Zeeslag van Salamis

53.

Bij welke strijd maakt Athene hun kracht op zee duidelijk?

a)

Plataeae

b)

Marathon

c)

Salamis

d)

Thermopylae

54.

Bij welke strijd maakt Sparta hun kracht op land duidelijk?

a)

Plataeae

b)

Marathon

c)

Salamis

d)

Thermopylae

55.

Grieken trekken aan het langste eind. Ze kennen een goede formatie (zie afbeelding). Hoe heet ze?

a)

Falanx

b)

Hopliet

c)

Milanx

d)

Kolanx

56.

Naast de Perzen krijgen de Spartanen vooral een klap. Athene krijgt namelijk alleenheerschappij (= … ?).

a)

Monopolie

b)

Overwinningsmoed

c)

Hegemonie

d)

Bondgenootschap

57.

Na de slag bij Mycale wordt de Delisch-Attische Zeebond opgericht. Wat gaven poleis NIET om erbij te horen?

a)

Vloten

b)

Geld

c)

Soldaten

d)

Afgewerkte producten

58.

Welk militair bondgenootschap werd opgericht na WOII?

a)

Noord-Atlantische Verdragsorganisatie

b)

Amerikaanse Verdragsorganisatie

c)

Canadese Verdragsorganisatie

d)

Naoorlogse Verdragsorganisatie

59.

Wat later starten dus de Peloponnesische oorlogen. Wat was hier één van de oorzaken?

a)

Sparta wilt niet dat democratie verspreid wordt

b)

Sparta wilt Corfu terug

c)

Sparta wilt schatkist op Delos terug

d)

Sparta zit in financiële nood

60.

Welke druppel valt er hier voor Sparta?

a)

Athene wordt te machtig

b)

Peloponnesische Bond heeft te weinig geld

c)

Corcyra roept hulp in van Athene

d)

Korinthe gaat strijd aan voor handel op zee

61.

De strijd begint! Welke rol speelt Piraeus?

a)

Zorgt voor een gouden eeuw

b)

Veel slaven worden aangevoerd

c)

Sparta kan strijd aan gaan op land

d)

Athene behoudt invoer van levensproducten

62.

De muren rond Piraeus en Athene zullen ook negatieve rol spelen. Hoe?

a)

Sparta verwoest gebied rond de muur

b)

De pest breekt uit

c)

Spionnen geraken in de stad

d)

Atheners missen vrijheid

63.

Athene start goed met een tweeledige tactiek: aanvallen op zee, verdedigen achter muren. Wiens tactiek is het ?

a)

Themistocles

b)

Pericles

c)

Leonidas

d)

Xerxes

64.

Naast de pest heeft Athene nog een probleem. Welk probleem?

a)

Geld geraakt op in D-A Zeebond

b)

Muren houden het niet

c)

Pericles kiest voor Sparta

d)

Perzen financieren Spartaanse vloot

65.

Welke amusante persoon speelt grote rol in de oorlogen door aan zowel Atheense, Spartaanse als Perzische kant gestaan te hebben?

a)

Themistocles

b)

Alcibiades

c)

Pericles

d)

Thucydides

66.

Waar toont de Spartaanse vloot zijn kracht waardoor strijd in voordeel Sparta uitdraait?

a)

Bij Dardanellen

b)

Bij Thebe

c)

Bij Syracuse

d)

Bij Athene

67.

Hoe wordt Athene NIET gestraft?

a)

Kolonies afstaan

b)

Vloten afstaan

c)

Soldaten afstaan

d)

Muur afbreken

68.

Waarom hielpen de Perzen de Spartanen?

a)

Perzen denken nadien Sparta wel te kunnen verslaan

b)

Nieuwe leider is niet tegen de Grieken

c)

Sparta belooft de Perzen nadien ook stuk van de macht

d)

Perzen hopen dat heel Griekenland verzakt wordt

69.

De Perzen hopen verzwakt Griekenland over te nemen. Toch zal ander volk overwinnen. Welk volk?

a)

Romeinen

b)

Makedoniërs

c)

Carthagers

d)

Feniciërs

70.

Welke bekende Makedoniër, zoon van Philippos II, verschijnt op het toneel?

a)

Julius Caesar

b)

Alexander de Grote

c)

Karel de Grote