wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Schakelingen en vermogen

Total questions: 25

Worksheet time: 1hrs 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de formule om het vermogen van een apparaat te berekenen?

a)

P = UI

b)

P = U * I

c)

U = IP

d)

U = P * I

2.

In een schakeling zijn drie lampjes in serie geschakeld. Welke twee beweringen over de stroom en de stroomsterkte in deze schakeling zijn waar?

a)

De stroomsterkte is overal in de stroomkring gelijk.

b)

De totale stroomsterkte is het grootst door het eerste lampje.

c)

De totale stroomsterkte vind je door de stroomsterktes door de drie lampjes bij elkaar op te tellen.

d)

De stroom kan maar één route volgen.

3.

Je kunt de stroomsterkte meten in A of in mA.

Zet om in mA:


0,006 A = … mA

a)

0,6 mA

b)

6 mA

c)

60 mA

d)

600 mA

4.

Je kunt de stroomsterkte meten in A of in mA.

Zet om in mA:


0,290 A = … mA

a)

2,9 mA

b)

29 mA

c)

290 mA

d)

2900 mA

5.

Betty maakt een parallelschakeling met drie lampjes. Ze sluit de schakeling aan op een gelijkspanningsbron. Welk schema hoort bij deze schakeling?

a)
b)
c)
6.

Jos maakt een serieschakeling met twee lampjes. Hij wil de totale stroomsterkte meten door de stroomkring. In welke figuur staat de stroommeter juist aangesloten?

a)
b)
c)
7.

Bekijk de getekende schakeling. Bereken stroom I2. Welke berekening in juist?

a)

I2 = 1,3A – 0,4A – 0,6A = 0,3A

b)

I2 = 1,3A + 0,4A + 0,6A = 2,3A

c)

I2 = 0,4A + 0,6A = 1,0A

8.

Op een groep van een huisinstallatie (230 V) worden de volgende apparaten aangesloten: een tosti-ijzer van 460 W, een koelkast van 650 W en een magnetron van 800 W. Wat is de stroomsterkte door de magnetron?

a)

0,29A

b)

3,5A

c)

8,3A

9.

Wat is dit schakelsymbool?

a)

Batterij

b)

Weerstand

c)

Schakelaar (dicht)

d)

Schakelaar (open)

10.

Wat is dit?

a)

Weerstand

b)

Lamp

c)

Batterij

d)

Voltmeter

11.

Wat is dit?

a)

Spanningsbron

b)

Schakelaar (dicht)

c)

Lamp

d)

Het bord 'verboden te fietsen'

12.

Wat is dit?

a)

Spanningsmeter

b)

Stroommeter

c)

Motor

d)

Een Vrikandelbroodje

13.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Wattuur
d)
Volt
14.

Welke schakeling staat op het plaatje?

a)

Serieschakeling

b)

parallelschakeling

c)

gemengde schakeling

d)

gemengde krakeling

15.

De letter P staat voor:

a)

Vermogen

b)

Spanning

c)

Stroomsterkte

d)

Weerstand

16.
16 kV = 
a)
16000 V
b)
160 V
c)
0,16 V
d)
0,0016 V
17.
In de figuur zijn 3 dezelfde lampjes aangesloten op een batterij van 4,5 Volt.
Welke stelling is juist?
a)
Alle lampjes branden even fel.
b)
Het rechter lampje brandt het felst.
c)
Het rechter lampje brand het zwakst.
d)
Kan je niet weten omdat de stroomsterkte niet gegeven is.
18.
Met welke schakeling bepaal je spanning over het lampje en de stroomsterkte door het lampje?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
19.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
20.
In een parallelschakeling is de stroomsterkte overal hetzelfde.
a)
Waar 
b)
Niet waar
21.

Ik draai 1 lampje uit deze schakeling. Wat gebeurt er met de andere 6 lampen?

a)

Alle lampjes gaan uit

b)

De andere 6 lampjes gaan allemaal iets harder branden

c)

Er gebeurt helemaal niets

d)

Alleen de lampjes die voor de lamp staan die eruit is gedraaid, werken nog.

22.

Wat zijn de voordelen van een parallel schakeling?

a)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

b)

Bij een parallel schakeling heb je slechts 1 stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

c)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Maar alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden.

d)

Bij een parallel schakeling heb je een stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden

23.
De spanning die een stopcontact in je huis geeft is....
a)
12 V
b)
24 V
c)
110 V
d)
230 V
24.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling
25.

Op een lampje staat: '9V / 0,5 A'. Bereken het vermogen van dit lampje.

a)

0,055 W

b)

4,5 W

c)

9,0 W

d)

18 W