wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 3 Organen en cellen

Total questions: 28

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

In welk organenstelsel komen de biceps voor?

a)

Spierstelsel

b)

Bloedvatenstelsel

c)

beenderstelsel

d)

zenuwstelsel

2.

hebben cellen diepte ?

a)

ja

b)

nee

3.

wat is een organenstelsel?

a)

organen samen met een bepaalde vorm

b)

organen samen met een bepaalde taak

c)

een orgaan

4.

waar bevindt zich het zenuwweefsel?

a)

in de longen

b)

bij het hart

c)

in de darmen

d)

in de hersenen

5.

wat is een weefsel?

a)

cellen

b)

een groep cellen

c)

een groep cellen met dezelfde functie, maar een andere vorm

d)

een groep cellen met dezelfde functie en vorm

6.

Wat moet je als eerste doen bij een microscoop?

a)

aan het diafragma draaien

b)

de objectieven draaien

c)

het lampje aanzetten

d)

de tafel naar beneden draaien

7.

wat zit er op de tubus

a)

een dop

b)

het oculair

c)

het diafragma

d)

de revolver

8.

Hoe pak je de microscoop vast?

a)

aan de tubus en de voet

b)

aan de tafel en de voet

c)

aan het statief en de voet

d)

aan de tubus en het statief

9.

Wat is een revolver?

a)

een draaischijf waarmee je de lamp feller en zachter kan zetten

b)

een draaischijf waaraan de objectieven vast zitten

10.

Je draait aan het objectief als de tafel op zijn laagst staat?

a)

Niet waar

b)

Waar

11.

Waaruit bestaat het cytoplasma?

a)

Water met zuurstof

b)

opgeloste stoffen met zuurstof

c)

water met opgeloste stoffen

d)

water met kleurstoffen

12.

Waar bevindt zich het celmembraan?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

13.

Wat ligt er in het cytoplasma?

a)

de kern

b)

de celkern

c)

de kerncel

d)

de cel

14.

Waar ligt de celkern?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

15.

welke cel heeft de meeste onderdelen?

a)

een plantaardige cel

b)

een dierlijke cel

16.

Wat doe je als eerst?

a)

je draait de tafel omlaag

b)

je draait de tafel omhoog

17.

Hoe heet het grote glaasje van het preparaat?

a)

het voorwerpglas

b)

het dekglaasje

18.

Waarvoor is de kleine schroef?

a)

Om de tafel naar beneden of omhoog te draaien

b)

Om het beeld scherp te stellen

c)

Om het beeld te vergroten

19.

Wat heeft een plantaardige cel?

a)

een celkern, een celwand, een celmembraan, cytoplasma, kleurstofkorrels, bladgroenkorrels en een vacuole

b)

een celwand, een celmembraan, cytoplasma, bladgroenkorrels en een vacuole

c)

een celkern, een celwand, een celmembraan, bladgroenkorrels en een vacuole

d)

een celkern, een celwand, een celmembraan, cytoplasma, bladgroenkorrels en een vacuole

20.

Heeft een dierlijke cel een celwand?

a)

Ja

b)

Nee

21.

Welke spullen heb je nodig om een preparaat te maken?

a)

een voorwerpglas

b)

een voorwerpglas en een dekglaasje

c)

een voorwerpglas, een vergrootglas, een druppelpipet, iets om te bekijken en een dekglaasje

d)

een voorwerpglas, een druppelpipet, iets om te bekijken en een dekglaasje

22.

Wat zijn de drie kleinste niveaus in de biologie (in de juiste volgorde?

a)

cel, molecuul, orgaan

b)

molecuul, cel, organisme

c)

molecuul, cel, orgaan

d)

cel, populatie, organisme

23.

Bij welke categorie hoort Willem?

a)

een cel

b)

een populatie

c)

een ecosysteem

d)

een organisme

24.

Wat zit er in een organisme?

a)

orgaan, molecuul, populatie

b)

cel, molecuul, orgaan

c)

orgaan, populatie, ecosysteem

d)

cel, molecuul, organisme

25.

Wat is het kleinst?

a)

een cel

b)

een orgaan

c)

een molecuul

d)

een weefsel

26.

Wat zijn organen?

a)

Het zijn delen met een specifieke functie en ze kunnen samenwerken

b)

een levend wezen

c)

DNA

d)

een bepaald gebied met organisme die er leven

27.

Wat is een organisme?

a)

een wild zwijn

b)

cellen georganiseerd in een weefsel

c)

een gebied waar leven mogelijk is

d)

een levend wezen

28.

Welke drie functie heeft het wortelstelsel?

a)

stevigheid, fotosynthese en voedingsstoffen opnemen

b)

stevigheid, water/voedingsstoffen opnemen en opslaan van reservevoedsel

c)

stevigheid, water/voedingsstoffen opnemen en het zorgen voor nieuwe blaadjes