WorksheetsFotografie Flashtest
Total questions: 7
Worksheet time: 2mins
Name
Class
Date
1.
Stelling:
Wanneer je de lichtbron dichterbij brengt komt het licht harder over.
a)
Goed
b)
Fout
2.
Stelling:
Als je op f5.6 zit en je 2 keer zoveel licht nodig hebt zet je je diaframga op 2.8
a)
Goed
b)
Fout
3.
Stelling:
Flitslicht regel je met diafragma, omgevingslicht met sluitertijd.
a)
Goed
b)
Fout
4.
Als je van ISO 100 naar ISO 1600 gaat. Hoeveel stops licht is dat dan?
a)
2
b)
1500
c)
4
d)
15
5.
Wat bepaalt de resolutie van een camera?
a)
De kwaliteit van de foto
b)
Het formaat van de foto
c)
De kleur en het contrast van de foto
d)
De scherpte van de foto
6.
Welk diafragma geeft de grootste scherptediepte?
a)
F16
b)
1/125
c)
1/30
d)
F2.8
7.
Wanneer kun je het beste de pop up flitser van je camera gebruiken?
a)
In een donkere kamer
b)
Bij tegenlicht
c)
Voor zacht licht bij portretten
d)
Nooit
100 %
