wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V4 SET 2 voorbereiding

Total questions: 22

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.
Een bepaalde plantencel heeft een turgor die maximaal is. Hij verandert niet meer van grootte.
Is de osmotische waarde buiten de cel groter dan, kleiner dan of gelijk aan die in de cel?
a)
gelijk
b)
kleiner
c)
groter
2.
Het bloedplasma van de mens heeft een gemiddelde osmotische waarde, die gelijk is aan die van een 0,9% NaCl-oplossing. Bij een experiment worden rode bloedcellen in een oplossing P gelegd met een onbekende osmotische waarde. De opgeloste deeltjes in oplossing P kunnen geen celmembranen passeren. Na enige tijd worden de rode bloedcellen bekeken met een microscoop. Het blijkt dat ze zijn gezwollen.
Is de osmotische waarde in deze gezwollen rode bloedcellen kleiner dan, gelijk aan of groter dan die van een 0,9% NaCl-oplossing?
a)
kleiner dan
b)
gelijk aan
c)
groter dan
3.
Drie reageerbuizen worden gevuld met oplossingen van keukenzout (NaCl) van verschillende concentraties. Buis 1 bevat een 0,1% NaCl-oplossing, buis 2 bevat een 0,9% NaCl-oplossing en buis 3 bevat een 1,5% NaCl-oplossing. In elk van deze buizen wordt een stukje van hetzelfde verse dierlijke weefsel ondergedompeld. De stukjes weefsel zijn allemaal even groot en rood van kleur. Voordat ze in de buizen zijn gedaan, zijn ze eerst goed afgespoeld totdat ze geen kleurstof meer afgeven. Na een half uur wordt het experiment beëindigd. De oplossing in buis 1 is licht rood geworden. De oplossingen in buis 2 en 3 zijn kleurloos gebleven.
Wat is de juiste verklaring voor het licht rood worden van de oplossing in buis 1?
a)
De celwanden zijn kapot gegaan omdat de omgeving hypertonisch was
b)
De cellen in het weefsel zijn kleiner geworden omdat er water uit de cel is gegaan.
c)
In de cellen zijn (rode) chromoplasten ontstaan
d)
De cellen zijn gesprongen omdat ze water hebben opgenomen.
4.
Waaraan is de osmotische waarde van een celwand van een plantencel gelijk? 
a)
het externe milieu
b)
het cytoplasma
c)
de vacuole
5.
Een leerling heeft twee plantencellen. De osmotische waarde van het vacuolevocht is bij deze cellen gelijk. Zij onderzoekt de volumeverandering van deze cellen, die optreedt als de cellen in bepaalde oplossingen worden gelegd. Zij legt deze cellen eerst in een oplossing die een iets lagere osmotische waarde heeft dan het vacuolevocht. Vervolgens brengt zij op tijdstip t = 0 de cellen over in gedestilleerd water. Beide cellen hebben op tijdstip t = 0 hetzelfde volume. Zij meet de volumeverandering van de cellen 1 en 2 vanaf t = 0 en zet haar resultaten uit in twee grafieken, zie afbeelding 2.
Kan het verschil in volumeverandering tussen cel 1 en cel 2 worden verklaard   door een verschil in elasticiteit van de celwanden?
 Zo ja, is de wand van cel 1 meer of minder elastisch dan die van cel 2? 
a)
Nee
b)
Ja, meer
c)
Ja, minder
6.

Thymine vormt waterstofbruggen

a)

Adenine

b)

Guanine of Adenine

c)

Cytosine

d)

Adenine of Uracil

e)

Cytosine of Uracil

7.

Als de DNA code TAC is, welk aminozuur wordt dan gekoppeld (gebruik BINAS)?

a)

Met

b)

Ser

c)

Lys

d)

Phe

8.

Als het RNA CAA is, voor welk aminozuur codeert het dan?

a)

His

b)

Pro

c)

Gln

d)

Val

9.

In welke fase van de celcyclus vindt DNA-replicatie plaats?

a)

G1-fase

b)

S-fase

c)

M-fase

d)

G0-fase

10.

De menselijk cel bevat 46 chromosomen.

Hoeveel chromatiden bevat een menselijke cel maximaal tijdens de mitose?

En hoeveel centromeren bevat een menselijke cel maximaal tijdens de mitose?

a)

46 chromatiden ; 46 centromeren

b)

92 chromatiden ; 46 centromeren

c)

46 chromatiden ; 23 centromeren

d)

92 chromatiden ; 92 centromeren

11.

Welke combinatie basenparen is juist?

a)

T-G

b)

C-T

c)

C-G

d)

A-C

12.

Hoe noemen we een cel waaruit alle verschillende typen cellen kunnen ontstaan?

a)

embryonale stamcel

b)

stamcel

c)

moedercel

d)

gespecialiseerde cel

13.

De genetische code van een deel van het RNA-molecuul uit een bacterie, dat codeert voor een stukje spinrageiwit dat volledig uit glycine bestaat, is:

GGA GGA GGG GGU GGA.


Welke verandering (hieronder onderstreept) in dit deel van het RNAmolecuul van de bacterie leidt tot een ander eiwitmolecuul?

a)

GGA GGC GGG GGU GGA

b)

GGA GGA GUG GGU GGA

c)

GGA GGA GGG GGA GGA

d)

GGG GGA GGG GGU GGA

14.

Wat gebeurt er tijdens de S-fase van de celcyclus?

a)

mitose (celdeling)

b)

plasmagroei

c)

DNA-replicatie (verdubbeling)

d)

splitsing van chromosomen

15.

Jonge eendjes lopen direct na de geboorte achter moedereend aan. Dit is een voorbeeld van?

a)

Imiteren

b)

Oefenen

c)

Inprenting

d)

Ethologie

16.

Hoe noem je de vorm van leren waarbij je een nieuwe strategie bedenkt om tot een oplossing van een probleem te komen?

a)

Inprenting

b)

Gewenning

c)

Inzicht

d)

Imiteren

17.

Het zuigreflex van jonge katjes (kittens) is een voorbeeld van:

a)

Imiteren

b)

Aangeboren gedrag

c)

Gewenning

d)

Oefenen

18.

Jonge dieren leren door te spelen

a)

Goed

b)

Fout

19.

Leren in een korte, gevoelige periode is

a)

Conditionering

b)

Inprenting

c)

Imiteren

d)

Inzicht

20.

Door na te denken een probleem op lossen, noem je

a)

Inprenting

b)

Inzicht

c)

Imiteren

21.

Dieren train je het beste door

a)

Imiteren

b)

Belonen en straffen

c)

Inprenten

d)

Oefenen

22.

Een papegaai leert woorden van zijn baasje

a)

Inprenting

b)

Inzicht

c)

Imiteren

d)

Belonen en straffen