wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V2 H4P2 "Van handwerk naar machine"

Total questions: 15

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.
Wat is een revolutie?
a)
Een revolutie is een plotselinge opstand van het volk of verandering
b)
Een evolutie is een plotselinge opstand van het volk of verandering. 
c)
Een langzame geleidelijke verandering. 
d)
Een verandering waarbij altijd geweld plaatsvindt.
2.
Waarom stonden de eerste fabrieken bij water; rivieren enz?
a)
Omdat ze via waterkracht de machines in de fabrieken aandreven. 
b)
Zo hadden ze meteen genoeg vers drinkwater. 
c)
Omdat ze het water gebruikte om elektriciteit op te wekken. 
d)
Omdat ze met de waterkracht stoommachines maakte. 
3.
Wat waren enkele economische gevolgen van de Industriële revolutie?
a)
Huisnijverheid wordt verdrongen door fabrieksarbeid, enorme toename van de productie, dalende prijzen van de producten
b)
Huisnijverheid neemt toe door fabrieksarbeid, prijzen stijgen omdat iedereen de produten uit de fabrieken wilde hebben. 
c)
Prijzen daalde en de lonen stegen. 
d)
Er waren eigenlijk niet zo heel veel economische gevolgen.
4.
In welk land begonnen ze als eerste met het bouwen van fabrieken?
a)
Nederland
b)
Duitsland
c)
Frankrijk
d)
Groot-Brittannië
5.
De industriële Revolutie begon in de 18de eeuw 
a)
juist
b)
onjuist
6.

Wat was een gevolg van de industrialisatie?

a)

bevolkingsafname

b)

agrarische revolutie

c)

bevolkingsgroei

7.
Door het gebruik van machines in de fabrieken nam de landbouwproductie toe.
a)
onjuist
b)
juist
8.
In welke relatie staan de industriële revolutie en huisnijverheid?
a)
elkaars concurrenten
b)
IR bevordert huisnijverheid
c)
huisnijverheid bevordert IR
d)
parallelle ontwikkeling
9.
Wat is industrialisatie?
a)
Overgang van handarbeid naar machines en opkomst van fabrieken
b)
Geen fabrieksarbeiders meer nodig, er komen meer robots.
c)
Veel mensen werkten in de fabriek, maar ging nu meer kantoorwerk doen.
10.
Door de industriële revolutie werden producten sneller gemaakt.
a)
Waar
b)
Niet waar
11.
Door de stoommachine 
a)
verplaatsten fabrieken zich naar het platteland
b)
verplaatsten fabrieken naar de steden
c)
werden steden steeds groter
d)
ging de bevolking groeien
12.

De Engelse samenleving veranderde van een .... naar een ....

Welke woorden moeten op de lege plekken staan?

a)

Landbouwsamenleving naar landbouw-stedelijke samenleving.

b)

Landbouw-stedelijke samenleving naar landbouwsamenleving.

c)

Landbouw-stedelijke samenleving naar industriële samenleving.

d)

Industriële samenleving naar informatiesamenleving.

13.

Wat was geen gevolg van de Industriële Revolutie?

a)

Arbeiders gingen katoenen kleding dragen

b)

De agrarische revolutie

c)

Het ontstaan van een net van onderling verbonden kanalen

d)

Spoorwegen

14.
Kenmerkend voor een industriële samenleving is
a)
meeste arbeiders in de industrie
b)
urbanisatie en bevolkingsgroei
c)
meeste arbeiders in industrie + snelle bevolkingsgroei
d)
verdwijnen van de landbouw
15.

Wat is huisnijverheid?

a)

Mensen die thuis blijven en niet werken

b)

Werkzaamheden thuis voor vooral handmatige productie

c)

Producten die voor in huis worden gemaakt

d)

Huishoudelijkwerk