wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 5 Wonen in Nederland H3 + H4

Total questions: 31

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Wat is géén krimpregio in Nederland?

a)

Oost-Groningen

b)

Zuid-Limburg

c)

Zeeuws-Vlaanderen

d)

Friesland

2.

Het aantal eenpersoonshuishoudens.....

a)

Neemt toe

b)

Neemt af

3.

Als een voorstad of dorp aan een grote stad vast groeit, dan noemen we dat

a)

Een stedelijk gebied

b)

Een agglomeratie

c)

Een stadsgewest

d)

Urbanisatie

4.

Hoe heet het proces dat vooral voorkomt op het platteland, waarbij het aandeel van mensen die ouder zijn dan 65 jaar toeneemt?

a)

Vergrijzing

b)

Sociale bevolkingsgroei

c)

Natuurlijke bevolkingsgroei

d)

Sterftecijfer

5.

Stad die door de inzet van slimme technologie (ICT), creativiteit, innovatie en kennis aantrekkelijker, duurzamer en leefbaarder wil worden

a)

Creatieve stad

b)

Duurzame stad

c)

Smart City

d)

Sustainable City

6.

Een sciencepark in Rotterdam trekt veel hoogopgeleide jongeren aan. Vanwege deze vergroening moet worden ingespeeld op de veranderingen in de woningmarkt. Wat is een waarschijnlijke verandering die zal optreden als gevolg van de vergroening?

a)

Er zijn meer woningen voor alleenstaanden

b)

Er zijn meer woningen voor gezinnen

7.

De trek van het platteland naar de stad

a)

Urbanisatie

b)

Suburbanisatie

8.

Wat was de voornaamste reden voor suburbanisatie?

a)

Verbetering van de woonsituatie

b)

Files vermijden

c)

Werk

9.

Wat was een onaangenaam gevolg voor de stad als gevolg van suburbanisatie?

a)

De binnensteden verloederen

b)

Arme mensen trokken weg

c)

Minder segregatie

10.

Welk beleid zorgde voor het ontstaan van zogeheten 'slaapsteden'?

a)

Compacte stadbeleid

b)

Stedelijke vernieuwing

c)

Gentrification

d)

Groeikernenbeleid

11.

Wat is sanering?

a)

Nieuwbouw

b)

Renoveren

c)

Slopen

d)

Herstructureren

12.

Wat zijn forensen?

a)

Mensen die naar de stad verhuizen

b)

Mensen die reizen tussen woon- en werkplek

c)

Mensen die vlakbij hun werk gaan wonen

d)

Mensen die in een nieuwbouwhuis gaan wonen

13.

Het groeikernenbeleid leidde tot

a)

Meer files

b)

Minder files

14.

Het compacte stadsbeleid leidde tot

a)

Sububanisatie

b)

Gentrification

c)

Re-urbanisatie

d)

Slaapsteden

15.

Het compacte stadsbeleid heeft als doel om

a)

Bewoners weer naar de stad te trekken

b)

Industrieterreinen af te breken

c)

Bewoners naar dorpen te trekken

16.

Vinexwijken worden voornamelijk gebouwd ten tijde van het

a)

Groeikernenbeleid

b)

Compacte stadsbeleid

c)

Stedelijke vernieuwing

17.

Het proces waarbij een verouderd en verloederd gebied in de stad planmatig en meestal grootschalig wordt vernieuwd door de overheid, zodat het voldoet aan huidige eisen op het gebied van wonen, werken, recreëren en mobiliteit. Vaak verandert daardoor de functie van het gebied.

a)

Herstructurering

b)

Sanering

c)

Gentrification

d)

Stadsvernieuwing

18.

Mate van samenhang tussen de bevolking in een buurt, wijk of gemeente. De samenhang wordt vergroot door bijvoorbeeld de kerk, school, verenigingen of een buurtactiviteit.

a)

Sociale cohesie

b)

Sociale veiligheid

c)

Gentrification

d)

Subjectieve veiligheid

19.

Eigenschap van de mensen in een wijk of buurt over samenstelling en grootte van de huishoudens, herkomst, inkomen, leeftijd en gezinsfase.

a)

Bewonerskenmerk

b)

Woningkenmerk

20.

Eigenschap van een woning: ouderdom, eigendom, woningtype, prijs en onderhoudstoestand

a)

Woningkenmerk

b)

Bewonerskenmerk

21.

Het proces van opwaardering van een buurt of stadsdeel op sociaal, cultureel en economisch gebied, het aantrekken van kapitaalkrachtige nieuwe bewoners/gebruikers en de daarmee gepaard gaande verdrijving van de lagere klassen uit het stadsdeel.

a)

Stedelijke vernieuwing

b)

Compacte stadsbeleid

c)

Suburbanisatie

d)

Gentrification

22.

De mate waarin iemand zich in zijn woon- en leefsituatie door misdrijven, overtredingen en ernstige overlast bedreigd voelt

a)

Subjectieve veiligheid

b)

Objectieve veiligheid

23.

Tussen 1950 en 1970 was er veel suburbanisatie. In deze periode was er in Parkwijk in Haarlem veel verpaupering. Waarom kwam dat juist in deze periode voor?

a)

Veel rijke bewoners trokken weg, waardoor er een concentratie armen ontstond in de Parkwijk

b)

Veel armen kwamen in de wijk wonen, waardoor er een concentratie armen ontstond in de Parkwijk

c)

Veel rijken bewoners kwamen in de wijk wonen, waardoor arme mensen verhuisden naar andere wijken

24.

Welke twee geografische begrippen horen bij de verandering die je zit in Leiden-Noord (het gehele plaatje)?

a)

Herstructurering

b)

Compacte stadbeleid

c)

Sociale cohesie

d)

Subjectieve veiligheid

25.

Op het plaatje is te zien dat er veel plekken van functie zijn veranderd. Hoe kunnen deze veranderingen de leefbaarheid in de wijk vergroten?

a)

Er komen meer mensen wonen, dus zij zullen zorgen voor sociale cohesie

b)

Er komen meer buurthuizen, dus dat zorgt voor minder overlast

c)

Er zijn eengezinswoningen gebouwd die jonge rijke mensen aantrekken, die vaak meer aandacht aan onderhoud besteden en minder overlast veroorzaken

d)

Er komen meer gezinnen wonen, die de wijk levend houden en weinig overlast veroorzaken

26.

In welke periode werden er veel flats gebouwd in grote steden?

a)

Tot 1950. Toen was er vooral urbanisatie.

b)

Tussen 1950-1970. Toen was er suburbanisatie, maar de armen bleven achter in de stad. In de tijd na de oorlog was er ook veel woningnood en bevolkingsgroei.

c)

Na 1980. Toen was er sprake van re-urbanisatie en werd er vooral op lege ruimtes in de stad gebouwd.

d)

In 1974. Toen ontstond het groeikernenbeleid.

27.

Door gentrification of door herstructurering van een oud fabrieksterrein worden vaak voormalige bewoners verjaagd en komt er een nieuwe bevolkingsgroep wonen. Om welke bevolkingsgroepen gaat het en waarom?

a)

Mensen met lage inkomens/laag opgeleiden worden verjaagd. De buurt wordt aantrekkelijker. Daardoor gaan de huren omhoog of de huizen worden verkocht. Er komen mensen met hogere inkomens/hoger opgeleiden wonen.

b)

Mensen met lage inkomens/laag opgeleid worden verjaagd. Ze willen niet wonen tussen de yuppen, wat de nieuwe bevolkingsgroep is.

c)

Mensen met lage inkomens/laag opgeleiden worden verjaagd. De buurt wordt aantrekkelijker. Daardoor gaan de huren omhoog of de huizen worden verkocht. Hierdoor stijgt de sociale cohesie in een wijk waardoor mensen met hogere inkomens/hoger opgeleiden er komen wonen.

28.

In deze vleugel van de Randstad is er meer economische en demografische groei. Er wonen meer hoogopgeleiden. Het is een dynamisch gebied en het diverse bedrijfsleven en de vele instellingen en broedplaatsen werken als een magneet. Over welke vleugel gaat dit?

a)

Noordvleugel

b)

Zuidvleugel

29.

In het oranje gebied zal er voornamelijk zo uit zien:

a)
b)
c)
d)
30.

Na de oorlog moesten er snel, veel en goedkope huizen worden gebouwd om de bevolkingsgroei en woningnood op te vangen. Rijken suburbaniseerden, dus de huizen in de stad moesten goedkoop zijn. Welke 2 plaatjes van de stad passen bij de tijd direct na de oorlog?

a)
b)
c)
d)
31.

Op het kaartje zie je voorbeelden van

a)

Creatieve steden

b)

Smart cities

c)

Science parks

d)

Duurzame steden