wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

waarnemen en bloedsomloop 2

Total questions: 22

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Welk groot bloedvat ontspringt uit de rechterkamer van het hart?

a)

longader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

holle ader

2.

Wat is een belangrijk kenmerk van aders?

a)

Aders transporteren het bloed naar het hart toe

b)

Aders wisselen vocht uit met het omliggende weefsel

c)

Aders hebben geen kleppen

d)

Aders transporteren het bloed van het hart af

3.

In welk deel van de bloedsomloop zal de zuurstof concentratie onder normale omstandigheden het hoogst zijn?

a)

longslagader

b)

longader

c)

poortader

d)

holle ader

4.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

5.

Wat is het eerstvolgende onderdeel van de bloedsomloop waar het bloed doorheen stroomt na de nierhaarvaten?

a)

nierader

b)

nierslagader

c)

holle ader

d)

poortader

6.
In je oog gaat het licht achtereenvolgens door:
a)
Pupil - hoornvlies - lens - glasachtig lichaam - netvlies
b)
Hoornvlies - lens - pupil - glasachtig lichaam - netvlies
c)
Hoornvlies - pupil - lens - glasachtig lichaam - netvlies
d)
Hoornvlies - pupil - lens - netvlies - glasachtig lichaam
7.
In informatie 3.1 is sprake van uitlopers van zenuwcellen. Hoe heten die zenuwcellen?
a)
bewegingszenuwcellen
b)
gevoelszenuwcellen
c)
schakelzenuwcellen
8.
Als de endeldarm voller wordt, oefent de ontlasting steeds meer druk uit op de wand. Dit heeft een reflex tot gevolg waardoor de buitenste sluitspier bij de anus zich meer gaat samentrekken om de ontlasting binnen te houden.
Om deze reflex te laten optreden worden impulsen langs drie typen zenuwcellen geleid: bewegingszenuwcellen, gevoelszenuwcellen en schakelcellen.
In welke volgorde worden de impulsen dan langs deze zenuwcellen geleid?
a)
bewegingszenuwcellen > gevoelszenuwcellen > schakelcellen
b)
 schakelcellen > bewegingszenuwcellen > gevoelszenuwcellen
c)
gevoelszenuwcellen > schakelcellen > bewegingszenuwcellen
d)
gevoelszenuwcellen > bewegingszenuwcellen > schakelcellen
9.
Bij oudere mensen vermindert soms het gezichtsvermogen doordat de gele vlek wordt aangetast.

In welk gebied bevindt zich de genoemde aantasting? (afbeelding)
a)
gebied 1
b)
gebied 2
c)
gebied 3
10.
Wat is de drempelwaarde?
a)
geluid
b)
De maximale sterkte van een prikkel
c)
Impuls
d)
De minimale sterkte van een prikkel
11.
Wat zijn adequate prikkels voor de huid?
a)
Licht, geluid, smaak, temperatuur, pijn
b)
Warmte, kou, smaak, licht, pijn
c)
Geur, pijn, tast, druk, pijn
d)
Warmte, kou, tast, druk, pijn
12.
Via welke weg komt de prikkel licht in de hersenen?
a)
zintuig,pupil, less, glasachtig lichaam, blinde vlek, oogzenuw
b)
zintuig, impuls, lens, glasachtig lichaam, netvlies, blinde vlek, oogzenuw, hersenen
c)
Zintuig, impuls, hoornvlies, lens, glasachtig lichaam, netvlies, blinde vlek, oogzenuw, hersenen
d)
impuls, zintuig, hoornvlies, lens, netvlies, glasachtig lichaam, blinde vlek, oogzenuw, hersenen
13.
Wat is de juiste weg van een impuls?
a)
Zintuig, impuls, schakelzenuwcel, gevoelszenuwcel, bewegingszenuwcel, beweging
b)
Zintuig, impuls, gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, hersenen
c)
Zintuig, impuls, bewegingszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, impuls, schakelzenuwcel, gevoelszenuwcel, gevoel
d)
Zintuig, impuls, gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, impuls, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spier, beweging
14.
Een bewuste beweging gaat via deze weg:
a)
gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
b)
Gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
15.
Een onbewuste beweging gaat via deze weg:
a)
gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
b)
Gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
16.

Wanneer zijn zowel de hartkleppen tussen de boezems en de kamers, als de kleppen aan het begin van de grote slagaders open (bij een normaal werkend hart)?

a)

tijdens het samentrekken van de boezems

b)

tijdens het samentrekken van de kamers

c)

tijdens de rustpauze van het hart

d)

nooit

17.

De afbeelding geeft de doorsnede van een bloedvat uit het been van een mens weer.


Is dit een beenader of beenslagader?

Vervoert dit bloedvat zuurstofarm of zuurstofrijk bloed?

a)

beenader / zuurstofarm

b)

beenslagader / zuurstofarm

c)

beenader / zuurstofrijk

d)

beenslagader / zuurstofrijk

18.

De bindingskracht tussen hemoglobine en koolmonoxide is groter dan die tussen hemoglobine en zuurstof.

Verschijnselen van koolmonoxidevergiftiging worden dan ook veroorzaakt doordat

a)

koolmonoxide aan de cellen wordt afgegeven

b)

veel rode bloedcellen geen zuurstof meer kunnen binden

c)

zuurstof nu gebonden blijft aan de hemoglobine

d)

er nu veel kooldioxide vrijkomt

19.

Bekijk onderstaande stellingen:


1) Alle slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

2) De poortader vervoert zuurstofrijk bloed naar de darmen


Welke is/zijn juist of onjuist?

a)

Beide juist

b)

Alleen 1 is juist

c)

Alleen 2 is juist

d)

Beide onjuist

20.

Bij zoogdieren is de wand van de linkerkamer dikker dan die van de rechterkamer. Dit staat in verband met het feit dat de linkerkamer:

a)

kleiner is dan de rechter hartkamer en daardoor sneller moet kunnen pompen

b)

slechts zuurstofarm bloed ontvangt en dit bloed snel moet kunnen afvoeren

c)

het bloed door het sterkt vertakte haarvatennet van de longen moet pompen

d)

het bloed door het hele lichaam, behalve de longen, moet pompen

21.
Waar bevindt zich hemoglobine?
a)
In de rode bloedcellen
b)
In het bloedplasma
c)
In de bloedplaatjes
22.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma